wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling

Total questions: 11

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Hij (beantwoorden v.t.) deze vraag.

a)

beantwoorde

b)

beantwoordt

c)

beantwoordde

d)

beantwoorden

2.

Mevrouw Veenstra is de afgelopen dagen ziek (zijn).

a)

geweest

b)

geworden

c)

gewezen

3.

Als je nog mee op kamp wilt: (melden) je nu aan!

a)

meld

b)

meldt

4.

Morgen (worden) mijn salaris gestort.

a)

wort

b)

word

c)

wordt

5.

Aan de uitvoering van het toneelstuk is flink (schaven).

a)

geschaven

b)

geschaaft

c)

geschaafdt

d)

geschaafd

6.

Denk jij dat zij veel plezier (beleven)?

a)

beleefd

b)

beleeft

c)

beleefdt

7.

In die fraaie boerderij (woeden) vorig jaar een stevige brand.

a)

woedde

b)

woede

c)

woedden

8.

Het (verwoesten) gebouw, staat er verlaten bij.

a)

verwoestte

b)

verwoestten

c)

verwoeste

d)

verwoesste

9.

De (verlichten) straten waren prachtig om te zien.

a)

verlichten

b)

verlichte

c)

verlichtte

d)

verlichtten

10.

De jongen (ontbloten) zijn bovenarm, omdat er een behoorlijke schaafwond zat.

a)

ontblootte

b)

ontblootten

c)

ontbloote

d)

ontblote

11.

Op de (ontbloten) arm was inderdaad een behoorlijke wond te zien.

a)

ontbloten

b)

ontblootte

c)

ontblote