wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Relative Clauses

Total questions: 16

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Welke aanwijzend voornaamwoorden kunnen we gebruiken bij bijzinnen met dieren of dingen?

a)

That

b)

Who

c)

Which

2.

Welke aanwijzend voornaamwoorden kunnen we gebruiken bij bijzinnen met personen?

a)

Which

b)

Who

c)

That

3.

Welk aanwijzend voornaamwoord gebruiken we wanneer we bezit aan willen geven? (hint: deze vertalen we dan meestal met wiens, van wie of waarvan)

4 lines
4.

Wanneer gebruiken we komma's in een betrekkelijke bijzin?

a)

Wanneer de betrekkelijke bijzin niet weggelaten kan worden.

b)

Wanneer de betrekkelijke bijzin wel weggelaten kan worden.

c)

Wanneer het voorzetsel aan het begin van de bijzin staat.

d)

Wannneer je whom gebruikt.

5.

Waar kan je een voorzetsel vinden in de betrekkelijke bijzin?

a)

Alleen vooraan de bijzin.

b)

Alleen achteraan de bijzin.

c)

Vooraan en achteraan de bijzin.

d)

Achteraan en middenin de bijzin.

6.

The students who didn't study for the test failed.


The students, who didn't study for the test, failed.


Wat is het verschil tussen deze 2 zinnen?

4 lines
7.

The thief, (a)   stole the TV from the shop, ran off.

8.

The office building ... my mother works in has been burgled.

(a)  

9.

That boy ... my brother Max is talking to is my best friend Martin.

(a)  

10.

Randie, ... owns the red car over there, witnessed a crime last night.

(a)  

11.

Mannie, ... new album came out last week, sat next to me on the Tube today.

(a)  

12.

The dog, ... escaped and ran away, was stolen from its previous owner.

(a)  

13.

The house in ... I was born has been completely robbed.

(a)  

14.

The car, ... was involved in the robbery, was left behind in the car park.

(a)  

15.

The key ... is used to open the building was stolen last night.

(a)  

16.

The girl ... was lingering around wore glasses.

(a)