wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oude nabije oosten

Total questions: 88

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Duid alle gebieden aan van Mesopotamië

a)

Babylonië

b)

Sumerië

c)

Assyrië

d)

Egypte

e)

Hellas

2.

Duid twee hedendaagse landen aan die in Mesopotamië lagen

a)

Irak

b)

Egypte

c)

Syrië

d)

Marokko

e)

Turkmenistan

3.

Welke twee rivieren stromen er in Mesopotamië?

a)

Tigris

b)

Nijl

c)

Eufraat

d)

De Rijn

e)

De Congostroom

4.

Welke materialen gebruikten de Egyptenaren om hun tempels te bouwen?

a)

klei

b)

zandsteen

c)

graniet

d)

beton

e)

parket

5.

Het Egyptisch schrift

a)

beeldschrift

b)

klankschrift

c)

combinatie

6.

Waar ontstaat het schrift eerst?

a)

Sumerië

b)

Egypte

c)

China

d)

Onze gewesten

7.

Waar ontstaat het schrift laatst?

a)

Sumerië

b)

Egypte

c)

China

d)

Onze gewesten

8.

Welk domein: de koning van Mesopotamië

a)

Culturele domein

b)

Economische domein

c)

Politieke domein

d)

Sociale domein

9.

Ontstaan van het schrift in het Nabije Oosten

a)

3500 v.C.

b)

3000 jaar geleden

c)

2400 v.C.

d)

4250 v.C.

10.

Duid twee uitvindingen aan van ca. 3500 v.C.

a)

Wiel

b)

Schrift

c)

IJzer

d)

Veeteelt

e)

Akkerbouw

11.

De mythe van Isis en Osiris

a)

Helleens

b)

Grieks

c)

Egyptisch

d)

Perzisch

e)

Sumerisch

12.

De (...) heerste met goddelijke macht. Zijn rijk was verdeeld in 40 gouwen die door gouwvorsten werden bestuurd.

a)

Perzische prins

b)

Egyptische farao

c)

Spartaanse koning

d)

Romeinse consul

e)

Atheense koning

13.

Egyptische kronen. Duid alles aan wat juist is.

a)

De witte kroon staat voor Opper-Egypte

b)

De rode kroon staat voor Opper-Egypte

c)

De rode kroon staat voor Neder-Egypte

d)

De witte kroon staat voor Neder-Egypte

e)

Dubbelkroon van het eenheidsrijk

14.

Wie stond er aan het hoofd van de Egyptische ambtenarij?

a)

Vizier

b)

Prins

c)

Gouverneur

d)

Koning

e)

Keizer

15.

De Nijl trad (...) buiten zijn oevers

a)

om de 2 jaar

b)

jaarlijks

c)

om de 5 weken

d)

elke maand

e)

4 x in een mensenleven

16.

Duid de landen aan waarover we het hebben, wanneer het over stroomculturen gaat.

a)

Egypte

b)

Mesopotamië

c)

Hellas

d)

Frankrijk

e)

Rome

17.

Situeer het ontstaan van de stroomculturen in de tijd.

a)

Oude nabije oosten

b)

Klassieke oudheid

c)

Middeleeuwen

d)

Prehistorie

18.

Situeer het ontstaan van de stroomculturen in de ruimte

a)

Afrika

b)

Azië

c)

Europa

d)

Amerika

19.

Welke stroomcultuur heeft de langste duur?

a)

Egypte

b)

China

c)

Indië

d)

Mesopotamië

20.

Waar ontstond de eerste stroomcultuur?

a)

Egypte

b)

China

c)

Indië

d)

Mesopotamië

21.

Aan welk type landbouw deed men in Mesopotamië?

a)

Regenlandbouw

b)

Irrigatielandbouw

c)

Geen landbouw

d)

Kunstmest

e)

Avocadoteelt

22.

Aan welk type landbouw deed men in Egypte?

a)

Regenlandbouw

b)

Irrigatielandbouw

c)

Geen landbouw

d)

Kunstmest

e)

Avocadoteelt

23.

Aan welke rivier(en) ontstaat deze stroomcultuur: Mesopotamië

a)

Indus

b)

Gele Rivier

c)

Nijl

d)

Eufraat en Tigris

24.

Aan welke rivier(en) ontstaat deze stroomcultuur: Egypte

a)

Indus

b)

Gele Rivier

c)

Nijl

d)

Eufraat en Tigris

25.

Aan welke rivier(en) ontstaat deze stroomcultuur: China

a)

Indus

b)

Gele Rivier / Hoangho

c)

Nijl

d)

Eufraat en Tigris

26.

Aan welke rivier(en) ontstaat deze stroomcultuur: Indië

a)

Indus

b)

Gele Rivier / Hoangho

c)

Nijl

d)

Eufraat en Tigris

27.

Zij leiden de verering van de goden

a)

leiders

b)

priesters

c)

het schrift

d)

ambtenaren

e)

de goden

28.

Dit maakt de taak van de ambtenaren gemakkelijker

a)

de Nijl

b)

priesters

c)

het schrift

d)

koningen

e)

de goden

29.

Landbouw vraagt organisatie en dus ook (...)

a)

leiders

b)

priesters

c)

het schrift

d)

ambtenaren

e)

de goden

30.

Zij beheersen de natuurkrachten en worden aanbeden

a)

leiders

b)

priesters

c)

het schrift

d)

ambtenaren

e)

de goden

31.

Zij zijn nodig voor de organisatie en om controle te houden

a)

leiders

b)

priesters

c)

het schrift

d)

ambtenaren

e)

de goden

32.

Een staat met een bevolking, een grondgebied en een politieke organisatie noemen we in deze tijd een (...)

a)

natiestaat

b)

stad

c)

rijk

d)

provincie

e)

gemeente

33.

Irrigatie =

a)

bevloeiing

b)

aquaduct

c)

riolering

d)

waterspuit

e)

regen

34.

Duid alle taken aan van ambtenaren in Mesopotamië

a)

toezicht houden op het oogsten

b)

gebruik van het schrift

c)

controle

d)

besturen van het rijk

e)

zelf uitgraven van kanalen

35.

Egyptenaren delen hun land in als volgt:

a)

Rode en Zwarte land

b)

Blauwe en Witte land

c)

Witte en Zwarte land

d)

Bruine en Gele land

e)

Rode en Gele land

36.

Konden farao's ook vrouwen zijn?

a)

Ja

b)

Nee

37.

Welk deel van Egypte is het bovenste rode bolletje?

a)

Neder-Egypte

b)

Opper-Egypte

38.

Welk deel van Egypte is het onderste rode bolletje?

a)

Neder-Egypte

b)

Opper-Egypte

39.

Soort premier, eerste minister in Egypte

a)

Opperhoofd

b)

Generaal

c)

Gouwkoning

d)

Vizier

40.

Met welk rijk associeer je de mythe van Gilgamesj?

a)

Egypte

b)

Hellas

c)

China

d)

Indië

e)

Mesopotamië

41.

Duid alle Egyptische goden aan

a)

Anoebis

b)

Isis

c)

Osiris

d)

Thor

e)

Wodan

42.

Duid alle Egyptische farao's aan

a)

Hatsjepsoet

b)

Toetanchamon

c)

Ramses

d)

Kleisthenes

e)

Metoik

43.

Duid alle Egyptische farao's aan

a)

Cleopatra

b)

Achnaton

c)

Thoetmozes III

d)

Leonidas

e)

Augustus

44.

Duid alle Egyptische goden aan

a)

Horus

b)

Zeus

c)

Apollo

d)

Gaia

e)

Eros

45.

Wie maakte allemaal deel uit van de groep van intellectuelen in het Oude Egypte?

a)

schrijvers

b)

topambtenaren

c)

boeren

d)

hoge priesters

e)

de edelen

46.

Wat was eerst?

a)

grafheuvel

b)

mastaba

c)

trappenpiramide

d)

driehoekige piramide

47.

Wat was eerst?

a)

mastaba

b)

trappenpiramide

c)

driehoekige piramide

48.

Duid alles aan wat met het Rode Land te maken heeft

a)

woestijn

b)

steengroeven

c)

koper

d)

vruchtbaar

e)

bewoning

49.

Duid alles aan wat met het Zwarte Land te maken heeft

a)

het rijk van de dood

b)

halfedelstenen

c)

vol leven

d)

landbouw

e)

bewoning

50.

Hoe zou je het klimaat in Egypte omschrijven? Duid 2 kenmerken aan.

a)

nauwelijks neerslag

b)

warm

c)

regenachtig

d)

koud

e)

ijstijd

51.

Waaraan waren overstromingen te danken volgens de Oude Egyptenaren?

a)

pech

b)

geluk

c)

aan de goden

52.

Hoe wordt het scheprad aangedreven?

a)

dierlijke spierkracht

b)

windenergie

c)

waterkracht

d)

stoom

e)

elektriciteit

53.

Waarom kunnen er in de gele gebieden maar weinig mensen wonen?

a)

Te weinig neerslag voor landbouw

b)

Te veel neerslag voor landbouw

c)

Niet leuk om aan oevers te wonen

d)

Te veel schaduw voor landbouw

54.

Waar trekken bewoners naartoe om aan voldoende voedsel te geraken?

a)

de gele gebieden

b)

de oevers van rivieren

c)

Iraanse steppe

d)

Arabische woestijn

55.

Kunstmatige irrigatie, associëren we met (...)

a)

Egypte

b)

Mesopotamië

c)

Hellas

56.

Natuurlijke irrigatie, associëren we met (...)

a)

Egypte

b)

Mesopotamië

c)

Hellas

57.

Wat brengt het meeste voedsel op?

a)

irrigatielandbouw

b)

regenlandbouw

58.

Wat vraagt het MINSTE organisatie?

a)

irrigatielandbouw

b)

regenlandbouw

59.

Wat was EERST?

a)

geldeconomie

b)

ruileconomie

60.

Wat zie je hier?

a)

irrigatielandbouw

b)

regenlandbouw

c)

nijverheid

61.

Een staat met een bevolking, een grondgebied en een politieke organisatie, noemen we een (...)

(a)  

62.

Duid alles aan waartoe irrigatielandbouw heeft geleid.

a)

samenwerking

b)

voedseloverschot

c)

ongelijkheid

d)

gelijkheid

e)

individualisme

63.

Duid de natuurlijke grenzen van Egypte aan.

a)

De Arabische woestijn

b)

de stroomversnelling

c)

de deltamonding

d)

de Libische woestijn

e)

de Middellandse Zee

64.

Duid de natuurlijke grenzen van Egypte aan.

a)

De Arabische woestijn

b)

de stroomversnelling

c)

de Rode Zee

d)

de Libische woestijn

e)

de Middellandse Zee

65.

Welke drie grote elementen bepalen het Egyptische landschap?

a)

Nijl

b)

Nijlvallei

c)

Woestijn

d)

Rode Zee

e)

Indusvallei

66.

Tijdens welke maanden overstroomt de Nijl?

a)

half juli - oktober

b)

november - maart

c)

januari - maart

d)

april - half juli

67.

Tijdens welke maanden zaaien de Egyptenaren hun gewassen?

a)

half juli - oktober

b)

november - maart

c)

januari - maart

d)

april - half juli

68.

Tijdens welke maanden oogsten de Egyptenaren?

a)

half juli - oktober

b)

november - maart

c)

januari - maart

d)

april - half juli

69.

Tijdens welke maanden helpen de Egyptenaren mee aan de bouwwerken voor de farao?

a)

half juli - oktober

b)

november - maart

c)

januari - maart

d)

april - half juli

70.

Hoe noemen we dit mechanisme om water te scheppen?

a)

scheprad

b)

sjadoef

c)

waterrad

d)

watermolen

71.

Vruchtbaar slijk uit de Nijl

a)

rivierslib

b)

sjadoef

c)

Nijldelta

d)

akkerslijk

72.

De Egyptenaren die werken aan de bouw van piramides, zijn vooral (...)

a)

boeren

b)

ambtenaren

c)

slaven

d)

krijgsgevangenen

73.

De Egyptische geschiedenis kent vele periodes. Duid de eerste periode aan.

a)

Periode van eenmaking

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Periode van vreemde heersers

e)

Romeinse periode

74.

De Egyptische geschiedenis kent vele periodes. Duid de langst durende periode aan.

a)

Periode van eenmaking

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Periode van vreemde heersers

e)

Romeinse periode

75.

De Egyptische geschiedenis kent vele periodes. Duid de laatste periode aan.

a)

Periode van eenmaking

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Ptolemeïsche periode

e)

Romeinse periode

76.

De Egyptische geschiedenis kent vele periodes. Welke periode associeer je met Alexander de Grote?

a)

Periode van het Nieuwe rijk

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Ptolemeïsche periode

e)

Romeinse periode

77.

Wanneer begint en eindigt het Nieuwe Rijk in Egypte?

a)

1550 v.C. - 1070 v.C.

b)

3100 v.C. - 2700 v.C.

c)

2040 v.C. - 1650 v.C.

d)

750 v.C. - 332 v.C.

e)

2700 v.C. - 2180 v.C.

78.

Wanneer begint en eindigt het Oude Rijk in Egypte?

a)

1550 v.C. - 1070 v.C.

b)

3100 v.C. - 2700 v.C.

c)

2040 v.C. - 1650 v.C.

d)

750 v.C. - 332 v.C.

e)

2700 v.C. - 2180 v.C.

79.

Wanneer begint en eindigt het Middenrijk in Egypte?

a)

1550 v.C. - 1070 v.C.

b)

3100 v.C. - 2700 v.C.

c)

2040 v.C. - 1650 v.C.

d)

750 v.C. - 332 v.C.

e)

2700 v.C. - 2180 v.C.

80.

Van wie maakten de Egyptenaren slaven?

a)

Krijgsgevangenen en hun nakomelingen

b)

Mensen met schulden

c)

Boeren

d)

Ambachtslieden

e)

Ambtenaren

81.

Situeer in de juiste Egyptiche periode: de piramiden van Gizeh

a)

Periode van het Nieuwe rijk

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Ptolemeïsche periode

e)

Romeinse periode

82.

Situeer in de juiste Egyptiche periode: Thebe wordt de belangrijkste stad van het land. De plaatselijke god, Amon, krijgt een hoge status. Er worden prachtige tempels gebouwd.

a)

Periode van het Nieuwe rijk

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Ptolemeïsche periode

e)

Romeinse periode

83.

Situeer in de juiste Egyptiche periode: Ramses II en Toetanchamon

a)

Periode van het Nieuwe rijk

b)

Periode van het Oude rijk

c)

Periode van het Middenrijk

d)

Ptolemeïsche periode

e)

Romeinse periode

84.

Welke twee symbolen van de farao zie je hier?

a)

staf

b)

vlegel

c)

zweep

d)

dubbelkroon

e)

sikkel

85.

Duid de monotheïstische godsdienst aan uit het oude nabije oosten.

a)

Jodendom

b)

Egyptische godsdienst

c)

Godsdienst van Mesopotamië

d)

Keltische godsdienst

86.

Duid de bovengrondse constructies aan

a)

Rotsgraf

b)

Piramide

c)

Mastaba

d)

Tempel

87.

Met welke stroomcultuur associeer je de Codex van Hammurabi ?

a)

Mesopotamië

b)

Egypte

c)

Indië

d)

China

88.

Situeer het tijdvak oude nabije oosten in tijd én ruimte.

a)

3500 v.C. - 800 v.C.

b)

3000 v.C. - 500 v.C.

c)

Verre Oosten

d)

Midden-Oosten

e)

Oostblok