wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Theoriebegrippen verhaalanalyse

Total questions: 53

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Waar of niet waar? 'Een boek kan maar één vertelperspectief hebben'

a)

waar

b)

niet waar

2.

Bij een personaal perspectief:

a)

weet je alleen van de hoofdpersoon wat hij denkt en voelt

b)

weet je van meerdere personages wat ze denken en voelen

c)

weet je van zowel hoofdpersoon als bijfiguren wat ze denken/voelen

d)

geen van allen

3.

De alwetende verteller:

a)

laat alleen de gedachten/gevoelens van de hoofdpersoon zien

b)

laat de gedachten/gevoelens van meerdere personages zien

c)

schrijft altijd in de ik-vorm

d)

gebruikt altijd een chronologische volgorde

4.

Een fictief verhaal kan realistisch zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Stelling: fictie is altijd verzonnen

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wat is geen omschrijving van de historische tijd?

a)

Het heden

b)

De jaren '50

c)

De oudheid

d)

's Middags

7.

Wat zijn functies van de ruimte? Meerdere antwoorden.

a)

Karakterisering van een personage

b)

Sfeertekening bij het verhaal

c)

Symbolisch: de ruimte staat symbool voor iets

8.
Wat is geen perspectief?
a)
Ik
b)
Personaal
c)
Integraal
d)
Auctoriaal
9.
De alwetende verteller weet alles van ieder personage in het verhaal.
a)
Waar
b)
Niet waar
10.
Vertelinstanties zijn altijd betrouwbaar.
a)
Waar
b)
Niet waar
11.
Bij een ik-perspectief is de 'ik' zowel personage als verteller.
a)
Niet waar
b)
Waar
12.

Vertelinstantie (perspectief) is niet hetzelfde als het personage.

a)

Niet waar

b)

Waar

13.

De vertelde tijd is:

a)

De tijdsduur in het verhaal

b)

De tijd die nodig is om het verhaal te lezen (in pagina’s/omvang)

c)

De historische tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

d)

De tijd die beschreven wordt door de verteller.

14.

De verteltijd is:

a)

De tijdsduur in het verhaal

b)

De tijd die nodig is om het verhaal te lezen (in pagina’s/omvang)

c)

De historische tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

d)

De tijd die beschreven wordt door de verteller.

15.

In een chronologisch verhaal wordt het verhaal van begin tot eind in de juiste volgorde verteld.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Bij een auctoriaal perspectief wordt het verhaal vanuit de ik-persoon verteld.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Een voorwerp kan een leidmotief zijn.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Welk perspectief zie je hier?

Ze stapte uit de auto, maar bleef met haar jas aan de gordel hangen. Ze viel recht vooruit met haar kin op de stoep. Dat gaat er niet mooi uitzien, dacht ze.

a)

Ik-perspectief

b)

Personaal perspectief

c)

Auctoriaal perspectief

19.

Welk perspectief zie je hier? Hij wist nog niet dat, op datzelfde moment, driehonderd kilometer verderop, de koning bezig was een executiebevel op te stellen.

a)

Ik-perspectief

b)

Personaal perspectief

c)

Auctoriaal perspectief

20.

Wat is geen middel waarmee een schrijver spanning creeërt?

a)

Cliffhanger

b)

Ruimte

c)

Vooruitwijzing

d)

Bijfiguren

21.

Wat is een round charakter?

a)

Oppervlakkig uitgewerkte personages

b)

Een gecompliceerd personage dat vaak een ontwikkeling doormaakt

c)

Personages met een duidelijk omschreven uiterlijk

22.

Welk begrip herken je in de volgende situatie? De ik-persoon droomt over gebeurtenissen uit het verleden.

a)

Tijdversnelling

b)

Tijdsprong

c)

Flashback

d)

Spanning

23.

Welk begrip herken je in de volgende omschrijving? Iets wat voor de lezer verborgen wordt gehouden, iets wat het verhaal (voorlopig) verzwijgt.

a)

Flashback

b)

Ruimte

c)

Open plek

d)

Motief

24.

Welk begrip herken je in de volgende omschrijving? Het verhaal op een spannend moment afbreken.

a)

Thema

b)

Perspectief

c)

Open plek

d)

Cliffhanger

25.

Welk begrip herken je in de volgende situatie? Een onderdeel van het verhaal wordt heel uitvoerig beschreven.

a)

Tijdvertraging

b)

Chronologie

c)

Flashback

d)

Open plek

26.

Een alwetende verteller is...

a)

Betrouwbaar

b)

Onbetrouwbaar

27.

Welke uitspraak is WAAR? (klik TWEE antwoorden aan)

a)

In zakelijke teksten wordt de informatie zo eenduidig mogelijk aan jou gepresenteerd.

b)

Bij literaire teksten is er altijd sprake van meerduidigheid.

c)

Bij literaire teksten is er altijd sprake van eenduidigheid.

d)

In zakelijke teksten wordt de informatie zo meerduidig mogelijk aan jou gepresenteerd.

28.

Welke uitspraak is NIET WAAR?

a)

Een bijzondere vorm van terugwijzing is de flashback.

b)

Terugverwijzingen zijn kort, hooguit een paar zinnen.

c)

Vooruitwijzingen zijn lang, meestal wordt de chronologie er een poosje door onderbroken.

d)

Flashbacks zijn lang, meestal wordt de chronologie er een poosje door onderbroken.

29.

Wat is een ander begrip voor 'alwetende verteller'?

a)

ik-verteller

b)

personale verteller

c)

auctoriale/auctoriële verteller

d)

meervoudige ik-vertelinstantie

30.

Wat is GEEN genre?

a)

sprookje

b)

roman

c)

science-fiction

d)

detective

31.

Welke vertelinstantie is niet merkbaar in het verhaal aanwezig?

a)

auctoriale vertelinstantie

b)

ik-vertelinstantie

c)

personale-vertelinstantie

d)

meervoudige vertelinstantie

32.

Welke twee uitspraken kloppen met betrekking tot de begrippen uit de verhaalanalyse 'verteltijd' en 'vertelde tijd'?

Dus twee antwoorden aanvinken.

a)

De vertelde tijd is de tijd die je nodig hebt om een tekst te lezen.

b)

De verteltijd is de tijd die je nodig hebt om een tekst te lezen.

c)

De vertelde tijd is de tijd die de gebeurtenissen in de geschiedenis (de chronologische volgorde van de gebeurtenissen) in beslag nemen.

d)

De verteltijd is de tijd die de gebeurtenissen in de geschiedenis (de chronologische volgorde van de gebeurtenissen) in beslag nemen.

33.

Romans zijn vaak...

a)

Chronologisch

b)

Niet-chronologisch

34.

Bepaalde (onbelangrijke) stukken enkele woorden of regels samengevat. Dit is...

a)

tijdvertraging

b)

tijdsprong

c)

tijdverdichting

35.

Het auto-ongeluk van het hoofdpersonage wordt uitzonderlijk traag beschreven. Het begrip dat bij dit voorbeeld hoort is: ...

(a)  

36.

Liefde, dood, verstoorde (ouder-kind)relaties, schuld en boete, verval en ouderdom zijn voorbeelden van: ...

(a)  

37.

Het terugkeren van situaties, gevoelens, opvattingen of gebeurtenissen, noem je ...

(a)  

38.

Het steeds terugkeren van een bepaald woord of voorwerp of een ongewijzigd voorkomende zin in een verhaal noem je een ...

a)

Thema

b)

Leidmotief

c)

Verhaalmotief

d)

Cliffhanger

39.

Een naam die iets weergeeft van het karakter van het personage noem je

a)

Een karakternaam

b)

Een identiteitsnaam

c)

Een persoonlijke naam

d)

Een sprekende naam

40.

Een rustige prettige ruimte in een kabbelend rustig verhaal.

a)

De ruimte is hier bevestigend.

b)

De ruimte is hier tegengesteld.

41.

Een rustige, prettige ruimte met een onwaarschijnlijke onrustige spannende wending aan het verhaal.

a)

De ruimte is hier bevestigend.

b)

De ruimte is hier tegengesteld.

42.

Open plekken zijn plekken in het verhaal die vragen oproepen.

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

Bij een gesloten einde blijven veel zaken open en daardoor misschien onduidelijk.

a)

Juist

b)

Onjuist

44.

Welke afbeeldingen horen bij non-fictie? (Meerdere antwoorden zijn goed)

a)
b)
c)
d)
45.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving? Een klein of groter tekstgedeelte dat voor jou onduidelijk is en dat vragen bij je oproept.

a)

motief

b)

titelverklaring

c)

open plek

d)

flashback

46.

Bij welk verhaaleinde zijn er nog oningevulde open plekken voor jou als lezer?

a)

Gesloten einde

b)

Open einde

47.

Als je een hoofdpersoon leert kennen door een opsomming van karaktereigenschappen, uiterlijk en innerlijk, dan leer je hem kennen op...

a)

... directe manier.

b)

... indirecte manier.

48.

Als je een mening hebt over het gedrag van de hoofdpersoon, dan kun je een oordeel vormen op basis van:

a)

het uiterlijk en een psychologische benadering

b)

een psychologische benadering en normen en waarden

c)

normen en waarden en setting

d)

setting en uiterlijk

49.

Het centrale probleem in een roman noem je:

a)

motto

b)

titel

c)

thema

d)

genre

50.

Als je een personage leert kennen door wat hij doet en zegt dan leer je deze persoon kennen op een...

a)

directe manier

b)

indirecte manier

51.

De vertelinstantie in verhalen met meer dan één ik-verteller noem je:

a)

een meervoudige ik-vertelinstantie

b)

een personale vertelinstantie

c)

een auctoriale vertelinstantie

52.

Als de verteller van alle personages weet wat ze denken, doen en voelen. Dan is dit ...

a)

Auctoriaal perspectief

b)

Personaal perspectief

c)

Ik-perspectief

53.

Een open plek kan ontstaan door ...

a)

... een vermoeden over de (af)loop van het verhaal.

b)

... handelingen van de personages.

c)

... een informatieachterstand van de lezer.

d)

... een gesloten einde.