wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 HO 2.1

Total questions: 16

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Janne doet een onderzoekje naar studiegedrag op haar school en voert daarbij, onder andere, de volgende vijf acties uit.

I De gemiddelde tijd berekenen die leerlingen aan huiswerk besteden per dag.

II Een vragenlijst over studiegedrag laten invullen.

III In een boek over studiegedrag lezen welke aspecten ze zou kunnen onderzoeken.

IV Twee boxplots vergelijken met informatie over het aantal uur dat wordt geleerd

voor een toets van leerlingen uit de boven- en onderbouw.

V Een aantal deelvragen formuleren bij haar hoofdvraag.

Geef de goede volgorde van de acties in de statistische cyclus

a)

12345

b)

35214

c)

53214

d)

52134

2.

Jaap formuleert de volgende onderzoeksvraag: ‘Waarom hebben mensen met kinderen meer verantwoordelijkheidsgevoel dan mensen zonder kinderen?’. Lotte geeft als commentaar dat de vraag niet enkelvoudig is en Hajar zegt dat de vraag uitgaat van een veronderstelling. Wie heeft gelijk?

a)

Hajar

b)

Lotte

3.

Waarom is bij de volgende onderzoeken de genoemde steekproef niet representatief?

'Bij een onderzoek naar drukte in treinen worden willekeurig reizigers op het station aangesproken.'

4 lines
4.

Waarom is bij de volgende onderzoeken de genoemde steekproef niet representatief?

'Voor een praktische opdracht voor economie over parttime werken spreek je op woensdagmiddag passanten aan in een drukke winkelstraat'

4 lines
5.

Een imker heeft vier bijenkolonies. Van het virus DWV (deformed wing virus) is bekend dat de populatieproportie van het kenmerk ‘heeft DWV’ gelijk is aan 0,118. Als in de kolonie ook de parasitaire varroamijt voorkomt, dan is die proportie 0,982. Neem aan dat de kolonies elk 50 duizend bijen hebben.

Bij een steekproef van 125 bijen blijken er 17 besmet met DWV. Bereken de steekproefproportie van het kenmerk ‘heeft DWV’ Ronda f op 3 decimalen

(a)  

6.

Wereldwijd is de populatieproportie van het kenmerk ‘heeft lichte ogen’ slechts 0,2. Lichte ogen zijn bijvoorbeeld blauw of groen. Mensen met lichte ogen maken minder melanine (pigment) aan in hun ogen, dit komt door een genetische mutatie die ongeveer tienduizend jaar geleden zijn oorsprong in Noord Europa had. Dat is waarom in een Noordelijk land als Estland de populatieproportie 0,99 is. In Nederland is dat 0,80 en in de Verenigde Staten slechts 0,16.

Hoeveel mensen met lichte ogen verwacht je in een groep van 1200 Nederlanders?

(a)  

7.

Wereldwijd is de populatieproportie van het kenmerk ‘heeft lichte ogen’ slechts 0,2. Lichte ogen zijn bijvoorbeeld blauw of groen. Mensen met lichte ogen maken minder melanine (pigment) aan in hun ogen, dit komt door een genetische mutatie die ongeveer tienduizend jaar geleden zijn oorsprong in Noord Europa had.

Een onderzoeker nam een steekproef van Estlanders en een steekproef van Nederlanders. Hij telde 131 Estlanders en 228 Nederlanders met lichte ogen. De steekproefproporties waren respectievelijk 0,95 en 0,82.

Bereken hoeveel mensen de onderzoeker in totaal heeft onderzocht. Rond af op gehelen

(a)  

8.

Zet de vier fasen van de statistische cyclus in de juiste volgorde. Kies uit:

1.data verzamelen,

2.conclusies trekken,

3.data analyseren,

4.de onderzoeksvraag.

Noteer je antwoord bijvoorbeeld als: 1234

(a)  

9.

Welk getal is hier de modus?

3 - 4 - 4 - 5 - 6 - 7

a)

3

b)

4

c)

7

d)

geen modus

10.

Welk getal is de mediaan?

3 - 4 - 4 - 5 - 6 - 7

a)

4

b)

4,5

c)

5

d)

geen mediaan

11.

Welk getal is hier de modus?

13 - 14 - 14 - 15 - 16 - 16 - 17

a)

17

b)

16

c)

14

d)

geen modus

12.

Bereken het gemiddelde van de volgende cijfers:

6,2 5,9 3,7 2,1

a)

4,4

b)

4,5

c)

5

d)

17,9

13.

Wat is de modus?

a)

15

b)

16

c)

17

d)

18

e)

19

14.

Wat is de modus?

a)

7

b)

7,5

c)

8

d)

Er is geen modus

15.

Hoeveel fietsen zijn er in april verkocht?

a)

60 fietsen

b)

6 fietsen

c)

50 fietsen

d)

5 fietsen

16.

Hoeveel hoort er in het rode vlak te staan?

a)

Dat kun je niet weten

b)

200

c)

180

d)

100