wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Materialen HV4

Total questions: 11

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Verklaar met behulp van het deeltjesmodel wat er gebeurt als een vaste stof smelt:

a)

Dan worden de moleculen zacht en vloeibaar

b)

Dan komen de deeltjes los van elkaar omdat ze te snel bewegen voor de Vanderwaalskracht

c)

Dan verliest de Vanderwaalskracht door de hitte zijn werking

d)

Dan worden de verbindingen tussen de moleculen zacht en vloeibaar

2.

Hoe verklaar je met het deeltjesmodel dat er waterdamp op een koud raam condenseert?

a)

Waterdamp die tegen de koude ruit aan komt koelt af. Daardoor wint de Vanderwaalskracht en wordt het vloeibaar.

b)

Waterdamp die tegen de koude ruit aan komt bindt met het glas. Daardoor wint de Vanderwaalskracht en wordt het vloeibaar.

c)

Waterdamp die tegen de koude ruit aan komt bindt met het glas door de capillaire werking en wordt vloeibaar.

d)

Waterdamp die tegen de koude ruit aan komt verliest door de botsing met de ruit bewegingsenergie. Daardoor condenseert het water.

3.

Je hebt een pot met 1 kg wolfraam en een pot met 1kg aluminium. In welke pot zitten de meeste atomen, en waarom?

a)

In de pot met aluminium, want die atomen zijn lichter, dus daar heb je meer atomen van nodig voor 1 kg

b)

In de pot met wolfraam, want die kernen zijn zwaarder, en dus een grotere dichtheid, waardoor er meer atomen in 1kg zitten

c)

In de pot met wolfraam, want die atomen zijn groter, zodat je meer atomen nodig hebt om tot 1kg te vullen

d)

In de pot met aluminium, want die heeft kleinere atomen, waardoor je meer atomen nodig hebt om tot 1 kg te komen.

4.

Temperatuur is de mate van beweging van de deeltjes. Wat zou meer energie kosten als je met het deeltjesmodel redeneert: het verhogen van de temperatuur van tien lood-atomen met 1K, of van 10 titanium-atomen met 1K? En waarom?

a)

De titanium-atomen kosten meer energie, want die zijn kleiner en daar heb je er dus meer van.

b)

De lood-atomen kosten meer energie, want die zijn zwaarder en het kost dus meer energie om ze in beweging te brengen.

c)

De titanium-atomen kosten meer energie, want die zijn zwaarder en het kost dus meer energie om ze in beweging te brengen.

d)

De lood-atomen kosten meer energie, want die zijn groter en daar heb je er dus minder van.

5.

Stoffen kunnen een hoog smeltpunt hebben omdat ze zware atomen hebben, of omdat de onderlinge Vanderwaals-bindingen heel sterk zijn. Welk verband verwacht je tussen de hoogte van het smeltpunt en de elasticiteitsmodulus van een stof?

a)

Hoe hoger het smeltpunt, hoe elastischer de stof.

b)

Hoe hoger het smeltpunt hoe inelastischer de stof.

c)

Ik verwacht geen verband tussen smeltpunt en elasticiteitsmodulus.

6.

Als je op een voetbal gaat zitten, vervormt deze. Als je weer opstaat, neemt de bal weer zijn oorspronkelijke vorm aan. Hoe noem je deze vervorming?

a)

Plastische vervorming

b)

Elastische vervorming

c)

Temporele rek

d)

Intransitieve dilatatie

7.

Aan een ronde bismuth-kabel met een dikte van 3,0cm hangt een massa van 100kg. Wat is de spanning in deze kabel?

a)

1,4.106 Pa

b)

3,5.105 Pa

c)

1,4 Pa

d)

0,35 Pa

8.

Jan doet een bungeejump. Het elastiek rekt, als hij na een tijdje op en neer gaan weer stil hangt, uit met 34%. Welke rek verwacht je als zijn kleine broertje dat half zo zwaar is springt met hetzelfde elastiek?

a)

De rek is dan 17%

b)

De rek is dan 68%

c)

De rek is dan 8,5%

d)

De rek is dan 136%

9.

Frederique doet een bungeejump. Als zij na de sprong niet meer op en neer veert, is het elastiek 40% uitgerekt. Zij maakt de sprong nogeens, maar nu met een twee keer zo dik koord van hetzelfde materiaal. Welke relatieve rek verwacht je nu?

a)

20%

b)

80%

c)

10%

d)

160%

10.

Welk punt op bijgaande spanning-rek diagram geeft de treksterkte aan? En welk het eind van het elastische gebied?

a)

Eind elastisch gebied: A; treksterkte: B

b)

Eind elastisch gebied: C; treksterkte: F

c)

Eind elastisch gebied: D; treksterkte: E

d)

Eind elastisch gebied: A; treksterkte: F

e)

Eind elastisch gebied: A; treksterkte: E

11.

Bekijk de afbeelding. Welk temperatuurverloop (A, B, C of D) past bij een geïsoleerde muur bij een temperatuurverschil tussen binnen en buiten van 15℃?

a)

Grootste temperatuurverval in beide baksteenmuren, klein verval in het piepschuim.

b)

Grootste temperatuurverval in het piepschuim, klein verval in de baksteenmuren.

c)

Een geleidelijk afnemend temperatuurverval van binnen naar buiten toe.

d)

Een geleidelijk toenemend temperatuurverval van binnen naar buiten toe.