wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijd van pruiken en revoluties

Total questions: 20

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Hoe heet de persoon die in deze tijd de doodstraf uitvoerde? Deze persoon heet een (a)  

2.

In welk jaar nam Napoleon in Frankrijk de macht over?

(a)  

3.

In welk jaar brak de Franse revolutie uit?

(a)  

4.

Tot welke stand behoorde de edellieden?

a)

De eerste stand

b)

De tweede stand

c)

De derde stand

5.

Tot welke stand behoorde de 'gewone' mensen?

a)

De eerste stand

b)

De tweede stand

c)

De derde stand

6.

Tot welke stand behoorde de geestelijken?

a)

De eerste stand

b)

De tweede stand

c)

De derde stand

7.

De koning riep de Staten-Generaal bijeen,

a)

omdat ze brood wilden en lagere belastingen.

b)

omdat ze een democratische grondwet wilden.

c)

omdat steeds meer mensen in opstand kwamen.

d)

omdat hij meer belasting wilde vragen.

8.

De Franse koning probeerde te vluchten en werd afgezet. Het parlement vertrouwde hem niet meer dus kreeg hij de (a)  

9.

Ook in Nederland kwam het volk in opstand. Daarna werd Nederland ook wel de (a)   republiek genoemd.

10.

Uit welk land werden de slaven gehaald?

a)

Zuid-Amerika

b)

Afrika

c)

Azie

d)

Duitsland

11.

Welke uitspraken over de slavernij zijn juist? (3 goede antwoorden)

a)

Met de handel in slaven werd veel geld verdiend.

b)

Slaven werden goed behandeld op de plantages.

c)

Slaven werden gekocht en verkocht.

d)

Slaven die in opstand kwamen, werder zwaar gestraft.

12.

Hoe noem je een burger die in opstand kwam tegen de regenten? Zo iemand noem je een (a)  

13.

Hoe noem je het als iemand of een groep mensen de macht over probeert te nemen? Dat noem je een (a)  

14.

Wat is een ander woord voor een grote verandering? Dat is een (a)  

15.

Wat veranderde er in de tijd van pruiken en revoluties?

(2 goede antwoorden)

a)

Een aantal landen in Europa kreeg een democratische grondwet.

b)

De belastingen werden opgeheven (er was geen belasting meer).

c)

De slavernij in de kolonies werd afgeschaft.

d)

Er waren geen edellieden en geestelijken meer.

16.

Het volk ging boos de straat op,

a)

omdat ze brood wilden en lagere belastingen.

b)

omdat ze een democratische grondwet wilden.

c)

omdat steeds meer mensen in opstand kwamen.

d)

omdat hij meer belasting wilde vragen.

17.

Tijdens de tijd van pruiken en revoluties kwamen er veel nieuwe ideeën. Deze ideeën werden verspreid door de (a)  

18.

In een grondwet staan rechten. Deze rechten noem je (a)  

19.

Hoe heette het kasteel dat tijdens de revolutie bestormd werd?

a)

Chambord

b)

Amboise

c)

Bastille

d)

Chevenry

20.

Wanneer werd de slavernij in Nederland verboden?

a)

1807

b)

1833

c)

1814

d)

1863