Worksheets3OR - Le passé composé
Total questions: 40
Worksheet time: 38mins
Geef het voltooid deelwoord (gedronken) van boire = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gezegd) van dire = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gemoeten) van devoir = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (geschreven) van écrire = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gedaan/ gemaakt) van faire = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gelezen) van lire = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gezet/ gelegd/ aangetrokken) van mettre = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (genomen) van prendre = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gezien) van voir = ... .
(a)
Geef het voltooid deelwoord (gewild) van vouloir = ... .
(a)
Welke zinnen staan in de verleden tijd (le passé composé)?
J'ai un cadeau.
Tu as acheté un cadeau?
Tu achètes un cadeau?
Ils ont fait un cadeau.
Welke zinnen staan in de verleden tijd (le passé composé)?
Ils ont 13 ans.
J'ai pris une photo.
Nous avons dû faire notre devoir.
J'ai dit la réponse.
Welke zinnen staan in de verleden tijd (le passé composé)?
J'ai écrit le nom.
On a mis une jupe rouge.
Tu as de la chance?
Les filles ont un frère.
Complète ... ai trouvé!
Je
Tu
J'
Elle
Complète ... ont vendu.
elles
nous
elle
ils
Complète ... as mangé?
Je
Il
Elles
Tu
Conjugue AVOIR : Elle ... chanté?
(a)
Conjugue AVOIR : Ils ... perdu leur portefeuille?
(a)
Conjugue AVOIR : J' ... dansé.
(a)
Conjugue AVOIR : Tu ... remarqué la faute?
(a)
Conjugue AVOIR : Nous ... attendu le tram.
(a)
Conjugue AVOIR : Vous ... donné l'argent?
(a)
Geef het voltooid deelwoord: dormir -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: manger -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: crier -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: avertir -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: attendre -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: perdre -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: sentir -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: vendre -> ...
(a)
Geef het voltooid deelwoord: donner -> ...
(a)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. J' ... (a) au foot. (jouer)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Tu ... (a) le match? (perdre)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Il ... (a) le train. (attendre)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Nous ... (a) des frites. (manger)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Vous ... (a) du coca? (boire)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Ils ... (a) les clients. (servir)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Elles ... (a) le jaune. (choisir)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. J' ... (a) une lettre. (écrire)
Geef de VOLLEDIGE verleden tijd. Tu ... (a) de la danse? (faire)
