WorksheetsWerkwoordspelling groep 8 - 12 januari
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
vinden (tt)
Hij (a) iets in zijn tas.
liften (vt)
De jongen …………………………. langs de weg om naar Amsterdam te komen
(a)
proeven (voltooide tijd)
De kinderen hebben het nieuwe gerecht ……………………………….
(a)
besteden (tt)
Hij ……………………… zijn geld meestal aan games.
(a)
stranden (vt)
De auto ………………….. langs de snelweg.
(a)
wiebelen (vt)
De tafel ……………………………. omdat de poten niet even lang waren.
(a)
vinden (tt)
……………………. je broertje het leuk om door het bos te rennen?
(a)
knuffelen (vt)
De kinderen ……………………………………… met elkaar van blijdschap.
(a)
verhuizen (voltooide tijd)
Zij zijn vorig jaar naar Zwolle ………………………………………
(a)
vergroten (vt)
Toen ……………………………….. de mannen de keuken.
(a)
fotograferen (voltooide tijd)
Ik heb de herten in het bos …………………………………………
(a)
blazen (vt)
Het meisje ………………… gisteren alle kaarsjes van de taart uit.
(a)
vermoeden (tt)
Jij …………………….. dat er iets niet klopt aan dit verhaal.
(a)
vertellen (tt)
De jongen ……………………… elke week een verhaal in de klas.
(a)
beantwoorden (tt)
………………………………….. jij de vraag van de juf goed?
(a)
faxen (vt)
Hij (a) de brief naar het bedrijf.
branden (vt)
De houtblokken (a) gisteren de hele avond.
gooien (voltooide tijd)
Hij heeft de bal naar zijn hond (a)
draaien (vt)
Hij (a) de schroef vast.
praten (vt)
Wij (a) vorige week met de directie.
