Font size
WorksheetsSpelling - tegenwoordige tijd
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
De meester ... (versieren) de stoel van de juf.
(a)
De kinderen ... (lachen) met de mopjes.
(a)
Anna ... (rijden) met haar fiets door het bos.
(a)
De voetballer heeft de goal ... (missen).
(a)
Daan en Lena ... (schommelen) vaak in de speeltuin.
(a)
... (Worden) jij afgehaald door je ouders?
(a)
We hebben de honden ... (vastbinden).
(a)
Je ... (vinden) dat toch niet erg?
(a)
... (Schrijven) Renske graag veel verhalen?
(a)
Zij ... (blazen) 50 kaarsjes uit met z'n tweeën.
(a)
Mattias ... (werken) veel op Bingel.
werk
werkt
werken
... (Antwoorden) het meisje op de quizvragen?
Antwoord
Antwoort
Antwoordt
het juiste antwoord staat hier niet
Ik ... (zijn) bang van spinnen.
zijn
is
ben
heb
Ik ... (durven) niet in het spookhuis.
durf
durv
durven
... (houden) jij ook zo van emoji's?
Houd
Hout
Houdt
Houden
... (Schudden) jij de kaarten even?
Schut
Schuddt
Schudt
Schud
Jij ... (schudden) de kaarten.
schudt
schud
schut
schudden
Mijn oma ... (bidden) elke dag drie keer.
bid
bidt
bit
bidden
Duid alles aan wat mogelijk is!
Zij ... (werken) aan een poster.
werkt
werk
werken
Duid alles aan wat mogelijk is!
Zij ... (zullen) morgen werken.
zul
zal
mag
zult
