wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling - tegenwoordige tijd

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

De meester ... (versieren) de stoel van de juf.

(a)  

2.

De kinderen ... (lachen) met de mopjes.

(a)  

3.

Anna ... (rijden) met haar fiets door het bos.

(a)  

4.

De voetballer heeft de goal ... (missen).

(a)  

5.

Daan en Lena ... (schommelen) vaak in de speeltuin.

(a)  

6.

... (Worden) jij afgehaald door je ouders?

(a)  

7.

We hebben de honden ... (vastbinden).

(a)  

8.

Je ... (vinden) dat toch niet erg?

(a)  

9.

... (Schrijven) Renske graag veel verhalen?

(a)  

10.

Zij ... (blazen) 50 kaarsjes uit met z'n tweeën.

(a)  

11.

Mattias ... (werken) veel op Bingel.

a)

werk

b)

werkt

c)

werken

12.

... (Antwoorden) het meisje op de quizvragen?

a)

Antwoord

b)

Antwoort

c)

Antwoordt

d)

het juiste antwoord staat hier niet

13.

Ik ... (zijn) bang van spinnen.

a)

zijn

b)

is

c)

ben

d)

heb

14.

Ik ... (durven) niet in het spookhuis.

a)

durf

b)

durv

c)

durven

15.

... (houden) jij ook zo van emoji's?

a)

Houd

b)

Hout

c)

Houdt

d)

Houden

16.

... (Schudden) jij de kaarten even?

a)

Schut

b)

Schuddt

c)

Schudt

d)

Schud

17.

Jij ... (schudden) de kaarten.

a)

schudt

b)

schud

c)

schut

d)

schudden

18.

Mijn oma ... (bidden) elke dag drie keer.

a)

bid

b)

bidt

c)

bit

d)

bidden

19.

Duid alles aan wat mogelijk is!


Zij ... (werken) aan een poster.

a)

werkt

b)

werk

c)

werken

20.

Duid alles aan wat mogelijk is!


Zij ... (zullen) morgen werken.

a)

zul

b)

zal

c)

mag

d)

zult