wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gambia par. 3.1+3.2

Total questions: 38

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Gambia ligt in het werelddeel

a)

Europa

b)

Noord-Amerika

c)

Azië

d)

Afrika

2.

Gambia ligt in het .......

a)

noorden van Afrika

b)

oosten van Afrika

c)

westen van Afrika

d)

zuiden van Afrika

3.

Gambia ligt in de luchtstreek:

a)

Tropen

b)

Polen

c)

gematigde zone

4.

Gambia heeft een...........

a)

tropisch klimaat

b)

subtropisch klimaat

c)

droog klimaat

d)

gematigd zeeklimaat

5.

In Gambia is het........

a)

altijd warm en in de regentijd (half juli tot half oktober) valt er veel neerslag

b)

altijd warm en in de regentijd (half december tot half februari) valt er veel neerslag

c)

altijd warm en is er geen regentijd

d)

altijd warm en is er geen droge tijd (alle maanden neerslag)

6.

In Gambia is een aan de kust een delta. Zie de afbeelding hiernaast. Hier zie je een

a)

Estuarium

b)

Delta

7.

In Gambia is een aan de kust een delta. Zie de afbeelding hiernaast. Hier zie je een

a)

Estuarium

b)

Delta

8.

In Gambia is een aan de kust een delta. Zie de afbeelding hiernaast. Hier zie je een

a)

Estuarium

b)

Delta

9.

In Gambia is een aan de kust een delta. Zie de afbeelding hiernaast. Hier zie je een

a)

Estuarium

b)

Delta

10.

Aan de kust van Gambia vind je vooral Mangroven. Kies hieronder welk plaatje bij Mangroven hoort.

a)
b)
c)
d)
11.

Gambia bestaat uit 2 typen Savannel; de Bos- en Parksavanne. Op het plaatje hiernaast zie je een voorbeeld van..........

a)

Bossavanne

b)

Parksavanne

12.

Gambia bestaat uit 2 typen Savannel; de Bos- en Parksavanne. Op het plaatje hiernaast zie je een voorbeeld van..........

a)

Bossavanne

b)

Parksavanne

13.

Gambia bestaat uit 2 typen Savannel; de Bos- en Parksavanne. Op het plaatje hiernaast zie je een voorbeeld van..........

a)

Bossavanne

b)

Parksavanne

14.

Zie het klimaatdiagram hiernaast. Kies de juiste beschrijving qua temperatuur.

a)

altijd warmer dan 10 graden

b)

warmer dan gemiddeld 10 graden in de warmste maand

c)

het hele jaar kouder dan gemiddeld 10 graden

d)

altijd warmer dam 18 graden

15.

Zie het klimaatdiagram hiernaast. Kies de juiste beschrijving qua neerslag.

a)

een droge periode in de winter en een regentijd in de zomer

b)

een droge periode in de zomer en een regentijd in de winter

c)

het hele jaar neerslag

d)

het hele jaar geen neerslag

16.

Zie het klimaatdiagram hiernaast. Welk klimaat past hierbij?

a)

tropisch klimaat

b)

droog klimaat

c)

zeeklimaat

d)

landklimaat

17.

Selecteer de juiste kenmerken van de cultuur in Gambia aan.

a)
b)
c)
d)
e)
18.

Kies de goede omschrijving van het begrip Cultuurgebied:

a)

gebieden met verschillen in de cultuur.

b)

landen met verschillen in de cultuur.

c)

gebieden met overeenkomsten in de cultuur.

d)

landen met overeenkomsten in de cultuur.

19.

Gambia ligt.........

a)

in het westers cultuurgebied

b)

in het Noord-Afrikaans cultuurgebied

c)

in het Afrikaans cultuurgebied ten zuiden van de Sahara.

d)

in het overgangsgebied van Noord-Afrikaanse cultuurgebied en het cultuurgebied ten zuiden van de Sahara

20.

Nederland ligt in het........

a)

Europees cultuurgebied

b)

Latijns Amerikaanse cultuurgebied

c)

Aziatische cultuurgbied

21.

Cultuur herkennen we ook aan de inrichting van een gebied. Hiermee bedoelen we.........

a)

de manier hoe we een woonkamer inrichtingen

b)

de manier hoe onderdelen in een gebied zijn neergezet

c)

de manier hoe de natuur het landschap heeft gevormd

d)

de manier hoe natuurrampen het landschap hebben gevormd

22.

In een islamitisch land als Gambia zijn.................een belangrijk inrichtingselement.

a)

fietspaden

b)

visvijvers

c)

moskeeën

d)

kerken

23.

In een nederlandse stad zijn veel fietspaden. Ze horen bij het cultuurkenmerk............

a)

rijden

b)

fietsen

c)

recreatie

d)

wonen

24.

In Gambia leven ongeveer................ verschillende stammen.

a)

5

b)

10

c)

15

d)

20

25.

Welke stam in Gambia bestaat uit ongeveer 42% van de totale bevolking?

a)

Mandika stam

b)

Fulani stam

c)

Wolof Stam

d)

Jola stam

26.

De tweede grootste stam uit Gambia bestaat uit vooral uit nomaden. Dit zijn de.............

a)

Mandaki

b)

Fula

c)

Wolof

d)

Jola

27.

Natuurgodsdiensten zijn in Gambia verboden.

a)

goed

b)

fout

28.

Rond de 16e eeuw was Gambia vooral een slavenkolonie

a)

Goed

b)

Fout

29.

Gambia is vanaf ............... onafhankelijk.

a)

1960

b)

1965

c)

1955

d)

1812

30.

De smalle vorm van het land Gambia heeft vooral te maken met een afspraak tussen de Britten en Fransen. Deze moest een kanonschot afstand breed zijn. Dat lag in die tijd tussen 15 en 20 km.

a)

Goed

b)

Fout

31.

Een plantage is een

a)

landbouwbedrijf waar op grote schaal 1 product wordt verbouwd

b)

landbouwbedrijf waar op kleine schaal 1 product wordt verbouwd

c)

landbouwbedrijf waar op grote schaal meerdere producten worden verbouwd

d)

landbouwbedrijf waar op kleine schaal meerdere producten worden verbouwd

32.

In Gambia waren tot 1900 ...........

a)

de Britten de baas

b)

de Fransen de baas

c)

dan weer de Britten, dan weer de Fransen

d)

noch de Britten en de Fransen de baas

33.

Een kolonie

a)

is een gebied in Europa dat in bezit is van een land in een ander werelddeel.

b)

is een gebied in een ander werelddeel dat in bezit is van een Europees land

34.

Welke manieren zijn er ontwikkeling te herkennen?

a)

meten

b)

berekenen

c)

verklaren

d)

kijken

35.

Analfabetisme is

a)

het aantal mensen van de bevolking ouder dan 15 dat kan lezen of schrijven

b)

het percentage van de bevolking ouder dan 15 dat kan lezen of schrijven

c)

het aantal mensen van de bevolking ouder dan 15 dat niet kan lezen of schrijven

d)

het percentage van de bevolking ouder dan 15 dat niet kan lezen of schrijven

36.

Zuigelingensterfte is

a)

het percentage kinderen dat in het eerste levensjaar overlijdt (per 1000 levendgeborenen)

b)

het percentage kinderen dat in de eerste 2 levensjaren overlijdt (per 1000 levendgeborenen)

c)

het gemiddelde aantal kinderen dat in het eerste levensjaar overlijdt (per 1000 levendgeborenen)

d)

het gemiddelde aantal kinderen dat in de eerste 2 levensjaren overlijdt (per 1000 levendgeborenen)

37.

Basisbehoeften is

a)

iets wat iedereen niet echt nodig heeft om redelijk te kunnen leven.

b)

iets wat iedereen echt nodig heeft om redelijk te kunnen leven.

c)

iets wat iedereen niet echt nodig heeft om goed te kunnen leven.

d)

onmisbaar om redelijk te kunnen leven.

38.

Welke onderstaande behoeften passen bij oa. basisbehoeften?

a)

voedsel

b)

onderwijs

c)

recreatie

d)

politiek

e)

gezondheidszorg