wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Warmte en Temperatuur

Total questions: 12

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Welke vorm van warmtetransport speelt een rol bij een koekenpan die op het vuur staat en waar de warmte van buiten naar binnen gaat?

a)

Straling

b)

Stroming

c)

Geleiding

d)

Geen van de bovenstaande

2.

Welk van de onderstaande stoffen zijn goede warmtegeleiders?

a)

Hout

b)

Piepschuim

c)

Aluminium

d)

Plastic

e)

Koper

3.

Piet zegt dat warmtegeleiding kan optreden bij vloeistoffen en gassen. Heeft Piet gelijk?

a)

Ja, Piet heeft gelijk

b)

Nee, Piet heeft geen gelijk

4.

Welke voorwaarde voor een verbranding wordt er weggenomen als de brandweer een brand met schuim blust?

a)

Zuurstof

b)

Brandstof

c)

Ontbrandingstemperatuur

5.

In de keuken is de vlam in de frituurpan geslagen. Je mag deze brand niet blussen met water omdat:

a)

Het water de olie verdunt en het dan uit de pan loopt

b)

Het kan helemaal geen kwaad om deze brand zo te blussen

c)

Je moet een schuimblusser gebruiken

d)

Het water gaat meteen koken en spat dan de pan uit en neemt de brandende olie mee waardoor je een steekvlam krijgt.

6.

In de keuken is de vlam in de frituurpan geslagen. Hoe kun je deze brand het beste blussen?

a)

Door de warmtebron uit te zetten en de ramen open te doen

b)

Door de warmtebron uit te zetten en een deksel op de pan te doen.

c)

Door de warmtebron aan te laten staan en een deksel op de pan te doen

d)

Geen van de bovenstaande antwoorden

7.

De verbranding van hout is een chemische reactie waarbij twee stoffen worden omgezet in twee andere stoffen. Deze reactie kan weergegeven worden in een schema. Maak het onderstaande schema compleet door de juiste termen te kiezen op de plekken van de puntjes.


Hout + ......A....... => .......B....... + .......C.........

a)

A = brandstof ; B = warmte ; C = zuurstof

b)

A = Koolstofdioxide ; B = Zuurstof ; C = Waterdamp

c)

A = Zuurstof ; B = Waterdamp ; C = warmte

d)

A = Zuurstof ; B = Koolstofdioxide ; C = Waterdamp

8.

Met welke vorm van warmtetransport heb je in dit plaatje te maken?

a)

Straling

b)

Stroming

c)

Geleiding

9.

Met welke vorm van warmtetransport heb je in dit plaatje te maken?

a)

Stroming

b)

Straling

c)

Geleiding

10.

Met welke vorm van warmtetransport heb je in dit plaatje te maken?

a)

Stroming

b)

Straling

c)

Geleiding

11.

Piet heeft 10 liter aardgas die hij verbrand. Hoeveel warmte komt hierbij vrij? Gebruik de tabel met verbrandingswarmte

a)

320 MJ

b)

32 MJ

c)

3,2 MJ

d)

0,32 MJ

12.

Om één liter water aan de kook te brengen heb je ongeveer 334.000 Joule aan warmte nodig. Je hebt 83.500 Joule aan warmte beschikbaar. Hoeveel liter water kun je daarmee aan de kook brengen?

a)

4 liter water

b)

1 liter water

c)

0,5 liter

d)

0,25 liter