Font size
Worksheetswoordsoorten
Total questions: 10
Worksheet time: 4mins
Ik heb vandaag veel gerent.
Wat is in deze zin het ww-gezegde.
heb
heb gerendt
heb gerent
heb veel gerent
Houdt zij zich wel aan jouw regels?
Wat is in deze zin het bez. vnw?
zij
zich
jouw
Omdat hij zijn dorst wilde lessen, dronk Henk te veel water. Wat is in deze zin de hoofdzin?
dronk Henk te veel water.
Omdat hij zijn dorst wilde lessen.
geen van de bovenstaande antwoorden is goed.
welk hulpwerkwoord staat in deze zin?(meerdere antwoorden goed) Ik ben na de bespreking gestopt met praten, want er was een ruzie begonnen.
ben
gestopt
begonnen
was
wat zijn de meest voorkomende koppelwerkwoorden?
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, dunken, voorkomen.
ben, kunnen, zullen, blijven, blijken, lijken, komen
zijn, worden, blijven, dunken, lijken, komen, zullen.
kunnen, doen, zijn, hebben, geven, zullen, openen.
Wie kan goed schrijven vroeg de docent in het klaslokaal?
Wat is in deze zin het lijdend voorwerp?
er is geen lijdend voorwerp
de docent
Wie kan goed schrijven
in het klaslokaal
Hij was erg bang voor de toets, maar achteraf viel het erg mee. Wat is in deze zin de hoofdzin?
Hij was erg bang voor de toets.
Maar achteraf viel het erg mee.
geen van allen
Het is al laat, maar ik kom toch vanmiddag.
Wat is de hoofdzin?
Het is al laat.
Maar ik kom toch vanmiddag
beide zinnen
Hij was erg blij met zijn nieuwe schoen, totdat hij een hond tegen kwam die modderig was. Wat is in deze zin het pers. vnw ?
hij
Hij, een hond
zijn
Hij
'Was je je handen nou wel goed?' vroeg mijn moeder met haar boek in haar hand. Wat is het bez. vnw in deze zin?
je, je, mijn
je, haar, mijn
mijn moeder, haar
handen, je, mijn,
