wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets Voeding en vertering (havo-4)

Total questions: 14

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Speekselamylase, afgegeven in de mond, zal in de twaalfvingerige darm geen zetmeel verteren doordat (2p):

a)

Speekselamylase wordt gedeactiveerd in de maag

b)

Speekselamylase niet specifiek is voor zetmeel in de twaalfvingerige darm

c)

De pH in de twaalfvingerige darm te laag is voor een optimale werking van speekselamylase

d)

De temperatuur in de twaalfvingerige darm te hoog is voor de optimale werking van speekselamylase

2.

Over het diagram worden twee vragen gesteld (2p).

1) Is bij q opname van glucose in het bloed mogelijk?

2) Is de concentratie van glucose in het bloed bij 2 hoger dan die in het bloed bij 1?

a)

1) Ja; 2) Ja

b)

1) Ja; 2) Nee

c)

1) Nee; 2) Nee

d)

1) Nee; 2) Ja

3.

In de dunne darm en in de dikke darm spelen zich een aantal processen af, zoals:

1) afgifte van enzymen aan het voedsel

2) kneedbewegingen

3) activiteit van bacteriën


Welk(e) van deze processen zal (zullen) leiden tot een toename van de hoeveelheid stoffen, die geresorbeerd kunnen worden (2p)?

a)

Alleen 1

b)

Zowel 1 als 2

c)

Zowel 1 als 3

d)

Zowel 1, 2 als 3

4.

Welk van onderstaande processen wordt door insuline gestimuleerd (2p)?

a)

Glycogeenvorming in lever en spieren

b)

Resorptie van glucose uit de dunne darm in het bloed

c)

Vertering van zetmeel in de twaalfvingerige darm

d)

Vetafbraak in de lever

5.

Om in een mengsel van water, gal, vet en alvleessap vertering te laten optreden en om vervolgens deze vertering ook aan te kunnen tonen, moet men er voor zorgen dat dit mengsel aan het begin van het experiment een bepaalde pH heeft. Na het experiment zal men dan kunnen waarnemen dat de pH veranderd is.


Welke pH zal het mengsel moeten hebben aan het begin van het experiment en hoe zal de pH veranderd zijn na het experiment (2p)?

a)

Begin pH: 2; Eind pH: hoger

b)

Begin pH: 2; Eind pH: lager

c)

Begin pH: 8; Eind pH: hoger

d)

Begin pH: 8; eind pH: lager

6.

Welke uit het darmkanaal opgenomen stoffen worden door lymfevaten verder getransporteerd (2p)?

a)

Aminozuren

b)

Monosachariden

c)

Vetten

d)

Zouten

7.

Iemand eet een stukje gebakken lever. Welke van de voedingsstoffen eiwitten, koolhydraten en vetten krijgt hij met de gebakken lever binnen (2p)?

a)

Alleen eiwitten en koolhydraten

b)

Alleen eiwitten en vetten

c)

Alleen koolhydraten en vetten

d)

Eiwitten, koolhydraten en vetten

8.

Van de aminozuren die bij een koe in de dunne darm worden geresorbeerd, is een deel niet rechtstreeks afkomstig uit het voedsel. Over de herkomst van deze aminozuren worden drie uitspraken gedaan:

1) deze aminozuren zijn afkomstig van dode darmwandcellen

2) deze aminozuren zijn afkomstig van bestandsdelen van spijsverteringssappen

3) deze aminozuren zijn afkomstig van bacteriën die in het darmkanaal leven


Welke van deze uitspraken kan of welke kunnen juist zijn (2p)?

a)

Alleen 1

b)

Alleen 1 en 2

c)

Alleen 1 en 3

d)

1, 2 en 3

9.

Op welke plaats of op welke plaatsen worden enzymen gevormd, die wat hun activiteit betreft, afhankelijk zijn van de zuurgraad van hun milieu (2p)?

a)

Alleen op plaats 1

b)

Alleen op plaats 2

c)

Op plaats 2 en 3

d)

1, 2 en 3

10.

Welke van onderstaande beweringen over enzymen is juist (2p)?

a)

Een enzym wordt bij het deelnemen aan een reactie verbruikt

b)

Enzymen zijn voornamelijk opgebouwd uit koolhydraten

c)

Een enzym kan slechts één bepaalde reactie beïnvloeden

d)

De productie van enzymen in het lichaam is onafhankelijk van de door het lichaam opgenomen voedingsstoffen

11.

Bij welke van de volgende maaltijden kun je verwachten dat een mens grote hoeveelheden ureum zal produceren (2p)?

a)

Patat met mayo

b)

Brood met jam

c)

Aardappelen met sla

d)

Rijst met kip

12.

De chemische verbinding, waarin een - COOH-groep, een -NH2-groep en twee H-atomen zijn gebonden aan 1 C-atoom wordt genoemd (2p):

a)

een vet

b)

een aminozuur

c)

een eiwit

d)

een koolhydraat

13.

In welk orgaan kunnen eiwitten verteerd worden?

a)

Alleen in de mond en in de maag

b)

Alleen in de mond en in de dunne darm

c)

Alleen in de twaalfvingerige darm en dunne darm

d)

Alleen in de maag als in de dunne darm

e)

In de maag, twaalfvingerige darm en dunne darm

14.

Vier beweringen over de spijsvertering zijn:

1) maagsap bevat een enzym dat eiwitten verteert

2) toevoeging van maagsap aan de spijsbrij verhoogt de pH daarvan

3) alvleessap bevat een enzym dat eiwitten verteert

4) resorptie (=opname) van stoffen vindt alleen plaats vanuit de dunne darm

a)

1 en 2

b)

1 en 3

c)

2 en 4

d)

3 en 4

e)

1 en 4