wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat H3 gym 2

Total questions: 30

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

1. circuleert

a)

gaat rond

b)

trekt rond

c)

gaat in cirkels

d)

wordt gespaard

2.

2. oppotten

a)

sparen

b)

uitgeven

c)

verstoppen

d)

verdoezelen

3.

3. stagneert

a)

vertraagt

b)

groeit

c)

krimpt

d)

reseceert

4.

4. bestedingen

a)

uitgaven

b)

geld in ontvangst nemen

c)

schulden

d)

inkomsten

5.

5. opzijleggen

a)

sparen

b)

aan de kant schuiven

c)

uitgeven

d)

spenderen

6.

6. spenderen

a)

besteden

b)

tijd geven aan

c)

doorbrengen met

d)

weggooien

7.

7. ternauwernood

a)

op het nippertje

b)

net

c)

pas

d)

in grote nood

8.

8. deurwaarder

a)

iemand die beslag legt op je eigendommen vanwege schulden die je niet kunt betalen

b)

iemand aan wie jij geld schuldig bent

c)

iemand die beslag legt op je inkomsten vanwege schulden die je niet kunt betalen

d)

iemand die om geld komt vragen aan de deur

9.

9. schuldeiser

a)

degene aan wie jij geld schuldig bent

b)

degene die aan je deur komt op je schuld op te eisen

c)

degene die aan jou geld verschuldigd is

d)

deurwaarder

10.

a. beslag leggen op

a)

in bezit nemen

b)

bedrag dat je leent

c)

zich schikken naar; zich aanpassen aan

d)

zonder dat onkosten en belastingen afgetrokken zijn

11.

10. aflossen

a)

terugbetalen van schulden

b)

losmaken

c)

lenen

d)

uitgeven

12.

b. rente

a)

vergoeding voor het lenen van geld

b)

bedrag dat je leent

c)

zonder dat onkosten en belastingen afgetrokken zijn

d)

belastingdienst; staatskas

13.

11. voldoen

a)

betalen

b)

beantwoorden

c)

tevreden stellen

d)

afrekenen

14.

c. schuldsanering

a)

zuivering; verbetering; het op orde brengen

b)

vergoeding voor het lenen van geld

c)

belastingdienst; staatskas

d)

bedrag dat je leent

15.

12. verlokkingen

a)

verleidingen

b)

veroveringen

c)

betoveringen

d)

valstrikken

16.

13. onweerstaanbaar

a)

waar je je niet tegen kunt verzetten

b)

niet te verstaan

c)

waar je je tegen kunt verzetten

d)

geen onweer

17.

d. zich conformeren aan

a)

zich schikken naar; zich aanpassen aan

b)

beslist; stellig

c)

in bezit nemen

d)

zuivering; verbetering; het op orde brengen

18.

e. per se

a)

beslist; stellig

b)

zich schikken naar; zich aanpassen aan

c)

per direct

d)

zonder dat onkosten en belastingen afgetrokken zijn

19.

14. op afbetaling

a)

regeling waarbij je in gedeelten betaalt

b)

regeling waarbij je in één keer alles betaalt

c)

bedrag dat je hebt geleend

d)

bedrag dat je moet terugbetalen

20.

15. neemt zijn toevlucht tot

a)

kiest als (laatste) uitweg

b)

vlucht naar

c)

zoekt troost bij

d)

zoekt asiel bij

21.

f. krediet

a)

bedrag dat je leent

b)

in bezit nemen

c)

zonder dat er onkosten en belastingen afgetrokken zijn

d)

geen vertrouwen in iemands betaalvermogen

22.

16. rood staan

a)

een negatief saldo hebben

b)

een positief saldo hebben

c)

ongeoorloofde debetstand

d)

geld tekort hebben

23.

g. brutoloon

a)

zonder dat onkosten en belastingen afgetrokken zijn

b)

vertrouwen in iemands betaalvermogen

c)

vergoeding voor het lenen van geld

d)

waar onkosten en belastingen van afgetrokken zijn

24.

17. netto

a)

wat overblijft na aftrek van belastingen

b)

zonder dat onkosten en belastingen afgetrokken zijn

c)

de gemeten hoeveelheid

d)

loon

25.

h. fiscus

a)

belastingdienst; staatskas

b)

rente

c)

mandje

d)

vergoeding voor het lenen van geld

26.

18. incassobureau

a)

een bedrijf dat geld incasseert

b)

een bureau waaraan iemand geld incasseert

c)

een bedrijf dat geld aan mensen uitleent

d)

een bedrijf dat schuld heeft

27.

19. innen

a)

incasseren

b)

uitcasseren

c)

geld teruggeven

d)

geld uitgeven

28.

20. educatie

a)

opvoeding

b)

opleidingen

c)

school

d)

lessen

29.

21. vordering

a)

geld dat je van iemand tegoed hebt

b)

geld dat je aan iemand moet betalen

c)

een schuld die je bij iemand hebt

d)

gevorderd zijn

30.

22. versus

a)

tegenover

b)

verzen

c)

anti

d)

tegen