Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 3 Organen en cellen (BKG)

Total questions: 37

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
2.
Wat heb je niet nodig bij het maken van een preparaat?
a)
Prepareernaald
b)
Vloeistof
c)
Voorwerpglas
d)
Microscoop
3.
Als ik kijk door een oculair van 10x en een objectief van 20x, dan heb ik een totale vergroting van 10 x 20 = 200x.
a)
Juist
b)
Onjuist
4.
Hiermee kan ik de lichtintensiteit bepalen als ik naar een preparaat kijk
a)
lampje
b)
diafragma
c)
grote schroef
d)
oculair
5.
Hoe heet onderdeel 8
a)
oculair
b)
objectief
c)
revolver
6.
Wat is de functie van de revolver
a)
hiermee klem je het preparaat vast
b)
hiermee kun je naar een geschikt objectief draaien
c)
hieraan pak je de microscoop vast
7.

Wat is celplasma?

a)

Hier zit alle erfelijke informatie van een organisme

b)

Dit beschermt de cel

c)

Het is vloeistof met opgeloste stoffen

d)

Dat bestaat niet

8.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

10.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

11.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

13.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

14.

Bekijk nogmaals figuur 1. Hoe heet onderdeel 7?

a)

Maag

b)

Twaalfvingerige darm

c)

Dunne darm

d)

Dikke darm

15.

Bekijk de afbeelding. Hoe heet dit orgaanstelsel?

a)

Zenuwstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Urinestelsel

d)

Bloedvatenstelsel

16.

Wat is de functie van het spierstelsel?

a)

Bloed door laten stromen

b)

Voedsel verteren

c)

Bewegen

d)

Stevigheid

17.

Welke onderdelen in een plantaardige cel zorgen voor stevigheid?

a)

Celmembraan en celkern

b)

Celmembraan en celwand

c)

Grote vacuole en celwand

d)

Grote vacuole en celkern

18.

Je ziet hier cellen van een organisme. Welke soort cellen zie je?

a)

dierlijke cellen

b)

plantaardige cellen

19.

Als we praten over een maag, is dat dan een ..

a)

organisme?

b)

orgaan?

c)

cel?

d)

weefsel?

20.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

weefsels-cellen- orgaanstelsels-organen

b)

weefsels-organen-orgaanstelsels-cellen

c)

cellen-organen-weefsels-orgaanstelsels

d)

cellen-weefsels-organen-orgaanstelsels

21.

Nummer 5 in de afbeelding van de torso is..

a)

een long

b)

de lever

c)

de maag

d)

de dikke darm

22.

In cellen regelt de .. alles wat er in de cel gebeuren moet.

a)

vacuole

b)

cytoplasma

c)

celkern

d)

celmembraan

23.

Een plantaardige cel is onder andere verschillende van een dierlijke cel door de aanwezigheid van ..

a)

celplasma

b)

bladgroenkorrels

c)

celkern

d)

celmembraan

24.

Planten zijn heel belangrijke organismen. Zij zijn in staat om zuurstof en voeding in de vorm van glucose te maken. Dit proces heet..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

25.

wat is een organenstelsel?

a)

organen samen met een bepaalde vorm

b)

organen samen met een bepaalde taak

c)

een orgaan

26.

wat zit er op de tubus

a)

een dop

b)

het oculair

c)

het diafragma

d)

de revolver

27.

Waaruit bestaat het cytoplasma?

a)

Water met zuurstof

b)

opgeloste stoffen met zuurstof

c)

water met opgeloste stoffen

d)

water met kleurstoffen

28.

Waar bevindt zich het celmembraan?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

29.

Wat ligt er in het cytoplasma?

a)

de kern

b)

de celkern

c)

de kerncel

d)

de cel

30.

Waar ligt de celkern?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

nummer 3

d)

nummer 4

31.

welke cel heeft de meeste onderdelen?

a)

een plantaardige cel

b)

een dierlijke cel

32.

Hoe heet het grote glaasje van het preparaat?

a)

het voorwerpglas

b)

het dekglaasje

33.

Waarvoor is de kleine schroef?

a)

Om de tafel naar beneden of omhoog te draaien

b)

Om het beeld scherp te stellen

c)

Om het beeld te vergroten

34.

Hoe heet het orgaan aangegeven met nummer 3?

a)

Luchtpijp

b)

Long

c)

Hart

d)

Darmen

35.

bekijk het plaatjes. met welk nummer is de dikke darm aangegeven?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

36.

Nummer 4 is..

a)

de maag

b)

de lever

c)

een buikspier

d)

een nier

37.

Deze organen heten...

a)

darmen

b)

ribben

c)

levers

d)

nieren