Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V SE stof

Total questions: 23

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welke organellen heeft een dierlijke cel niet, maar kan een plantaardige cel wel hebben

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Vacuole

d)

Chloroplast

e)

Leukoplast

2.

Wat is de functie van een lysosoom

a)

eiwitsythese

b)

energie vrijmaken

c)

verpakken van eiwitten in blaasjes

d)

afbreken van grote moleculen

3.

welk organel wordt aangegeven met nummer 6

a)

mitochondrium

b)

endoplasmatisch reticulum

c)

golgi systeem

d)

cytoskelet

4.

Een cel van een rode ui heeft kleurstoffen in de vacuole.

Deze cel wordt in een hypertone oplossing gelegd. Wat gebeurt er met de kleur van de vacuole?

a)

de vacuole wordt donkerder, door osmose gaat er water uit de vacuole

b)

de vacuole wordt lichter, door osmose gaat er water in de vacuole

c)

de vacuole wordt lichter, door diffusie gaat de kleurstof uit de vacuole

d)

de vacuole wordt lichter, door actief transport gaat de kleurstof uit de vacuole

5.

wanneer bijen nectar halen uit bloemen kunnen deze bloemen worden bestoven, wat voor vorm van symbiose is dit?

a)

mutualisme

b)

commensalisme

c)

parasitisme

d)

symbolisme

6.

welke stellingen zijn juist?

a)

door celdifferentiatie krijg je gespecialiseerde cellen

b)

celdifferentiatie wordt onder andere bepaald door verschil in genexpressie

c)

apoptose is gecontroleerde zelfdoding van cellen

d)

het doel van de mitose is de vorming van geslachtscellen

7.

in welke fase van de celcyclus wordt het DNA verdubbeld

a)

De M fase

b)

De G1 fase

c)

De G2 fase

d)

De S fase

e)

De G0 fase

8.

bij de menstruatie laat een deel van het baarmoederslijmvlies los, dit komt doordat

a)

het gele lichaam verdwijnt en er dus te weinig progesteron is

b)

het gele lichaam verdwijnt en er dus te weinig oestrogeen is

c)

de hypofyse geen LH meer afgeeft

d)

de hypofyse geen FSH meer afgeeft

e)

HCG voorkomt dat het gele lichaam afsterft

9.

na sterilisatie kan een man geen kinderen meer krijgen omdat

a)

het sperma geen zaadcellen bevat

b)

de man geen testosteron meer kan maken

c)

de man geen zaadcellen meer kan maken

d)

de zaadcellen onvolledig rijpen

10.

welke stellingen zijn juist?

a)

HCG wordt gemaakt door de placenta

b)

bij het aansturen van weeën onder invloed van oxytocine is er spraken van een negatieve terugkoppeling

c)

alleen bij crossing-over bij de meiose ontstaan 4 zaadcellen met verschillend DNA

d)

meiose II bij de eicel vind pas plaats na de bevruchting

11.

Twee mensen krijgen samen een kind. Ze hebben beide bloedgroep A en van beide mensen is bekend dat hun ouders beide bloedgroep AB hadden. Hoe groot is de kans dat hun kind bloedgroep A heeft?

a)

100%

b)

75%

c)

25%

d)

0%

12.

X-chromosomale aandoeningen komen bij vrouwen vaker voor omdat

a)

Vrouwen 2 X-chromosomen hebben

b)

Onzin, X-chromosomale aandoeningen komen bij mannen vaker voor

c)

het X-chromsoom veel vrouwelijke genen bevat

d)

het Y-chromosom regulatie-genen heeft die genen op het X-chromosoom onderdrukken

13.

welke stellingen zijn juist?

a)

bij gekoppelde overerving ontstaat minder genetische variatie dan bij niet-gekoppelde overerving

b)

1 individu heeft van 1 gen maximaal 2 verschillende allelen

c)

een recessief allel komt alleen tot uiting als er geen dominante variant aanwezig is

d)

een letale eigenschap maakt de nakomelingen onvruchtbaar

14.

Is de eigenschap ruw haar dominant of recessief? En kan deze X-chromosomaal zijn?

a)

Dominant, X-chromosomaal

b)

Dominant, niet X-chromosomaal

c)

Recessief, X-chromosomaal

d)

Recessief, niet X-chromosomaal

15.

bij recombinant DNA technologie

a)

wordt een gen van 1 organisme in het DNA van een ander organisme geplaatst

b)

wordt kunstmatig uit diploïde cellen haploïde cellen gevormd en deze weer gecombineerd tot diploïde cellen

c)

wordt DNA vermenigvuldigt voor onderzoek

d)

wordt met behulp van straling mutaties veroorzaakt in het DNA

16.

een hond leert een pootje te geven en krijgt een hondensnoepje. Welk leerproces speelt hierbij een rol?

a)

Klassieke conditionering

b)

Operante conditionering

c)

Gewenning

d)

Imitatie

17.

welke stellingen zijn juist?

a)

inprenting gebeurt alleen in een gevoelige periode

b)

instinctief gedrag is een gevolg van natuurlijke selectie

c)

de mogelijkheid om te kunnen leren biedt een evolutionair voordeel

d)

bij conflictgedrag hebben 2 dieren een conflict

18.

Wat is onderdeel 2?

a)

Neurotransmitter

b)

Blaasje met neurotransmitter

c)

Natriumkanaaltje

d)

Natriumkalium-ATPase

19.

Wat is onderdeel 5?

a)

Neurotransmitter

b)

Blaasje met neurotransmitter

c)

Natriumkanaaltje

d)

Natriumkalium-ATPase

20.

Hoe noemen we het proces wat bij 4 gebeurt?

a)

Drempelwaarde

b)

Repolarisatie

c)

Depolarisatie

d)

Hyperpolarisatie

21.

Wat is de belangrijkste functie van het animale zenuwstelsel?

a)

Bewuste bewegingen coördineren

b)

Onbewuste bewegingen coördineren

c)

Aansturen van het kloppen van je hart

d)

Geheugen

22.

Bij welk of welke van de synapsen worden een exciterende neurotransmitter afgegeven bij het buigen van de armen?

a)

Bij 1 en 4

b)

Bij 2 en 3

c)

Bij 1 en 3

d)

Bij 2 en 4

23.

in welke van de 4 tekeningen zijn de accommodatiespier, de lensbandjes en de lens correct weergegeven bij een voorwerp op 40 cm afstand

a)

tekening 1

b)

tekening 2

c)

tekening 3

d)

tekening 4