wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Signaalwoorden en tekstverbanden

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Ik zit op school....... ik wil graag overgaan

a)

of

b)

want

c)

hoewel

d)

maar

2.

ik ga vast over, .... ik mijn best doe

a)

tenzij

b)

hoewel

c)

mits

d)

terwijl

3.

Ik krijg een mooi cadeau, ........ ik blijf zitten

a)

want

b)

tenzij

c)

mits

d)

zodat

4.

ik heb goed mijn best gedaan, ..... ik ga vast over

a)

of

b)

maar

c)

want

d)

dus

5.

Ik wil graag overgaan, ...... ik heb geen zin om mijn best te doen

a)

want

b)

dus

c)

maar

d)

en

6.

Ik maak huiswerk, ....... mijn broertje tv kijkt

a)

terwijl

b)

hoewel

c)

tenzij

d)

mits

7.

Ik maak huiswerk, ...... mijn favoriete serie op tv is

a)

mits

b)

hoewel

c)

zodat

d)

want

8.

Ik krijg een mooie fiets, ..... ik overga

a)

tenzij

b)

mits

c)

hoewel

d)

terwijl

9.

Ik vind signaalwoorden leuk, ...... je kunt er leuke zinnen mee maken

a)

maar

b)

hoewel

c)

want

d)

of

10.

Ik doe erg mijn best, ..... ik zal overgaan

a)

mits

b)

zodat

c)

tenzij

d)

als

11.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Ik rijd graag in mijn auto

De benzine is duur

a)

mits

b)

doordat

c)

omdat

d)

hoewel

12.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Ik vind het leuk om naar school te gaan

Ik moet een uur fietsen

a)

mits

b)

ondanks

c)

omdat

d)

terwijl

13.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Je hebt nog niet gereageerd

Je hebt het wel beloofd

a)

tenzij

b)

hoewel

c)

terwijl

d)

mits

14.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Ik wil die fiets kopen

De prijs zal verlaagd worden

a)

terwijl

b)

tenzij

c)

hoewel

d)

mits

15.

Met welk signaalwoord kun je 1 zin van deze 2 zinnen maken?

Ik kom vandaag wat later

ik moet naar de tandarts

a)

maar

b)

terwijl

c)

omdat

d)

tenzij

16.

Hoewel Susan niet goed had geleerd, haalde ze toch een voldoende.

Wat is het tekstverband?

a)

Tegenstelling

b)

Oorzaak

c)

Reden

d)

Voorwaarde

17.

Hij ging eerder weg, want hij moest nog boodschappen doen

Wat is het tekstverband?

a)

Voorwaarde

b)

Oorzaak

c)

Reden

d)

Tegenstelling

18.

Je mag naar het feest mits je je netjes gedraagt

Wat is het tekstverband?

a)

Reden

b)

Oorzaak

c)

Tegenstelling

d)

Voorwaarde

19.

Doordat er een ongeluk gebeurd was, misten wij het vliegtuig

Wat is het tekstverband?

a)

Reden

b)

Oorzaak

c)

Voorwaarde

d)

Tegenstelling

20.

Je mag naar het feest, tenzij je alleen moet fietsen

Wat is het tekstverband?

a)

Voorwaarde

b)

Reden

c)

Oorzaak

d)

Tegenstelling