wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Toets Thema 4

Total questions: 27

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Welk beroep heeft de persoon die wijst?

a)

de chirurg

b)

de fysiotherapeut

c)

de receptionist

d)

de wijkagent

2.

De persoon op de afbeelding denkt dat het kind iets strafbaars doet. Hoe heet iemand waarvan je denkt dat hij iets strafbaars doet?

a)

het figuur

b)

het idool

c)

het rolmodel

d)

de verdachte

3.

De agent zegt: 'Wat heb je op je kerfstok?' Wat betekent iets op je kerfstok hebben?

a)

iets duidelijk proberen te maken

b)

iets van tevoren goed plannen

c)

iets verkeerds gedaan hebben

4.

Het kind zegt: 'Dat zal ik u haarfijn vertellen.' Wat betekent haarfijn?

a)

heel bijzonder

b)

heel kort

c)

heel snel

d)

heel precies

5.

Wat hoort bij de inventaris van een huis?

a)

het bed

b)

het dak

c)

de garage

6.

De winkel van tante Nicole zet er verzorgd uit. Wat is een ander woord voor verzorgd?

a)

duur

b)

goedkoop

c)

netjes

d)

slordig

7.

Ik heb een afkeer van sporten. Wat betekent dat?

a)

Dat je een boek hebt over sporten.

b)

Dat je een grote hekel hebt aan sporten.

c)

Dat je iets gehoord hebt over sporten.

d)

Dat je niet kunt sporten.

8.

'Wij hebben een hekel aan onze buurman.' Welke uitdrukking past hierbij?

a)

aan iemands lippen hangen

b)

geen hoge pet van iemand op hebben

c)

het niet op iemand begrepen hebben

d)

iemand iets op de mouw spelden

9.

Kijk naar de tekening. Waar zie je een koppel?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

d)

Nummer 4

10.

Hoe heet de baas bij de politie?

a)

de agent

b)

de commissaris

c)

de receptionist

d)

de trainer

11.

Welk woord past in de parachute?

a)

het juweel

b)

het sieraad

c)

de smaragd

12.

Ik wil weten wat de waarde is van de edelstenen. Wat is een ander woord voor waarde?

a)

de grootte

b)

de kleur

c)

de omvang

d)

de prijs

13.

Voorbeeld: vrouw - vrouwen


Typ het meervoud van man.

(a)  

14.

Typ het meervoud van sleutel.

(a)  

15.

Typ het meervoud van auto.

(a)  

16.

Typ het meervoud van parkeerplaats.

(a)  

17.

Typ het meervoud van moeilijkheid.

(a)  

18.

Typ het meervoud van bus.

(a)  

19.

De hij-vorm van kunnen is hij kan. Kunnen is een

a)

regelmatig werkwoord

b)

onregelmatig werkwoord

20.

Typ de PV in de verleden tijd.

Johan mag van zijn ouders niet op drumles.

(a)  

21.

Typ de PV in de verleden tijd.

Johan zal nog een jaar moeten wachten.

(a)  

22.

Waar is de zin goed verdeeld in zinsdelen?

a)

In het park / hangt / een eenzame sjaal.

b)

In / het park / hangt / een eenzame / sjaal.

c)

In het park / hangt / een / eenzame / sjaal.

d)

In het / park / hangt een / eenzame sjaal.

23.

Waar is de zin goed verdeeld in zinsdelen?

a)

Tobias / vergat / zijn / sjaal / tijdens / de pauze.

b)

Tobias / vergat / zijn sjaal / tijdens / de pauze.

c)

Tobias vergat zijn sjaal tijdens de pauze.

d)

Tobias / vergat / zijn sjaal / tijdens de pauze.

24.

Waar is de zin goed in zinsdelen veredeeld?

a)

Zijn moeder / geeft / hem / een / uitbrander.

b)

Zijn moeder / geeft / hem / een uitbrander.

c)

Zijn moeder geeft hem een uitbrander.

d)

Zijn / moeder / geeft / hem / een uitbrander.

25.

Mevrouw weet u een winkel in de buurt?


Waar moet de komma?

a)

na het woordje mevrouw

b)

na het woordje winkel

c)

na het woordje in

d)

voor het woordje buurt

26.

Waar staat de komma op de juiste plaats?

a)

Ik moet suiker, bloem en eieren kopen.

b)

Ik moet, suiker bloem en eieren kopen.

c)

Ik moet suiker bloem, en eieren kopen.

27.

Waar staat de komma op de juiste plaats?

a)

Als ik, thuiskom gaan we een cake bakken.

b)

Als ik thuiskom, gaan we een cake bakken.

c)

Als ik thuiskom gaan, we een cake bakken.