Font size
WorksheetsTaal Toets Thema 4
Total questions: 27
Worksheet time: 56mins
Welk beroep heeft de persoon die wijst?
de chirurg
de fysiotherapeut
de receptionist
de wijkagent
De persoon op de afbeelding denkt dat het kind iets strafbaars doet. Hoe heet iemand waarvan je denkt dat hij iets strafbaars doet?
het figuur
het idool
het rolmodel
de verdachte
De agent zegt: 'Wat heb je op je kerfstok?' Wat betekent iets op je kerfstok hebben?
iets duidelijk proberen te maken
iets van tevoren goed plannen
iets verkeerds gedaan hebben
Het kind zegt: 'Dat zal ik u haarfijn vertellen.' Wat betekent haarfijn?
heel bijzonder
heel kort
heel snel
heel precies
Wat hoort bij de inventaris van een huis?
het bed
het dak
de garage
De winkel van tante Nicole zet er verzorgd uit. Wat is een ander woord voor verzorgd?
duur
goedkoop
netjes
slordig
Ik heb een afkeer van sporten. Wat betekent dat?
Dat je een boek hebt over sporten.
Dat je een grote hekel hebt aan sporten.
Dat je iets gehoord hebt over sporten.
Dat je niet kunt sporten.
'Wij hebben een hekel aan onze buurman.' Welke uitdrukking past hierbij?
aan iemands lippen hangen
geen hoge pet van iemand op hebben
het niet op iemand begrepen hebben
iemand iets op de mouw spelden
Kijk naar de tekening. Waar zie je een koppel?
Nummer 1
Nummer 2
Nummer 3
Nummer 4
Hoe heet de baas bij de politie?
de agent
de commissaris
de receptionist
de trainer
Welk woord past in de parachute?
het juweel
het sieraad
de smaragd
Ik wil weten wat de waarde is van de edelstenen. Wat is een ander woord voor waarde?
de grootte
de kleur
de omvang
de prijs
Voorbeeld: vrouw - vrouwen
Typ het meervoud van man.
(a)
Typ het meervoud van sleutel.
(a)
Typ het meervoud van auto.
(a)
Typ het meervoud van parkeerplaats.
(a)
Typ het meervoud van moeilijkheid.
(a)
Typ het meervoud van bus.
(a)
De hij-vorm van kunnen is hij kan. Kunnen is een
regelmatig werkwoord
onregelmatig werkwoord
Typ de PV in de verleden tijd.
Johan mag van zijn ouders niet op drumles.
(a)
Typ de PV in de verleden tijd.
Johan zal nog een jaar moeten wachten.
(a)
Waar is de zin goed verdeeld in zinsdelen?
In het park / hangt / een eenzame sjaal.
In / het park / hangt / een eenzame / sjaal.
In het park / hangt / een / eenzame / sjaal.
In het / park / hangt een / eenzame sjaal.
Waar is de zin goed verdeeld in zinsdelen?
Tobias / vergat / zijn / sjaal / tijdens / de pauze.
Tobias / vergat / zijn sjaal / tijdens / de pauze.
Tobias vergat zijn sjaal tijdens de pauze.
Tobias / vergat / zijn sjaal / tijdens de pauze.
Waar is de zin goed in zinsdelen veredeeld?
Zijn moeder / geeft / hem / een / uitbrander.
Zijn moeder / geeft / hem / een uitbrander.
Zijn moeder geeft hem een uitbrander.
Zijn / moeder / geeft / hem / een uitbrander.
Mevrouw weet u een winkel in de buurt?
Waar moet de komma?
na het woordje mevrouw
na het woordje winkel
na het woordje in
voor het woordje buurt
Waar staat de komma op de juiste plaats?
Ik moet suiker, bloem en eieren kopen.
Ik moet, suiker bloem en eieren kopen.
Ik moet suiker bloem, en eieren kopen.
Waar staat de komma op de juiste plaats?
Als ik, thuiskom gaan we een cake bakken.
Als ik thuiskom, gaan we een cake bakken.
Als ik thuiskom gaan, we een cake bakken.
