wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling - groep 8 dinsdag 26 januari

Total questions: 30

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

beloven (tegenwoordige tijd)


Die man (a)   altijd van alles, maar maakt niets waar.

2.

starten (verleden tijd)


Toen de wedstrijd begon, (a)   de professionals eerst.

3.

houden (tegenwoordige tijd)


Hij (a)   niet zo van aardappels, hij eet liever rijst.

4.

vertellen (voltooide tijd)


Juf Evi heeft een spannend verhaal (a)  

5.

verbieden (verleden tijd)


Sarah mocht niet meer naar buiten, haar moeder (a)   het haar.

6.

blaten (verleden tijd)


De groep schapen (a)   hard, omdat er wolven voorbij liepen.

7.

verbranden (tegenwoordige tijd)


(a)   je je hand niet, als je die schaal met blote handen uit de oven haalt?

8.

zinken (voltooide tijd)


Het schip van de piraten is vorig jaar (a)  

9.

verbreden (verleden tijd)


De man (a)   vorige week de weg naar zijn huis.

10.

razen (verleden tijd)


Vorig jaar (a)   er een flinke storm over ons land.

11.

poffen (voltooide tijd)


Bij het kampvuur hebben wij ook maïs (a)  

12.

betreden (tegenwoordige tijd)


(a)   je professor de zaal in traditionele kleding?

13.

vervallen (voltooide tijd)


Het huis in het bos is erg (a)  

14.

landen (tegenwoordige tijd)


Volgens die website (a)   ik morgen om 8.00 uur op Schiphol.

15.

printen(verleden tijd)


Gisteren (a)   mijn broer en ik onze werkstukken uit.

16.

beloven (voltooide tijd)


Mijn moeder heeft mij voor mijn verjaardag een Nintendo (a)  

17.

bloeden (tegenwoordige tijd)


(a)   die wond nou nog steeds?

18.

schrobben (voltooide tijd)


Op kamp hebben we dagelijks de vloer (a)  

19.

vinden (tegenwoordige tijd ->

gebiedende wijs)


... dat boek, nu!

(a)  

20.

verstaan (verleden tijd)


Ik praatte tegen hem, maar hij (a)   mij niet.

21.

bekleden (tegenwoordige tijd)


Hij (a)   de stoeltjes in zijn fabriek.

22.

racen (tegenwoordige tijd)


Die auto (a)   met een noodgang door de straat!

23.

storten (voltooide tijd)


Heb je mijn salaris al (a)   ?

24.

onthouden (verleden tijd)


Die schaakkampioen (a)   vroeger al zijn zetten.

25.

onthouden (verleden tijd)


Die schaakkampioen (a)   vroeger al zijn zetten.

26.

Zij ligt in het gras.

a)

1e persoon enkelvoud

b)

2e persoon enkelvoud

c)

3e persoon enkelvoud

27.

Heb jij een paraplu?

a)

1e persoon enkelvoud

b)

2e persoon enkelvoud

c)

3e persoon enkelvoud

28.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin:


De taxichauffeur haalt zijn klant om elf uur op.

(a)  

29.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin:


Vannacht gaf de brandweerman zijn portofoon aan zijn collega.

(a)  

30.

Wat is het voegwoord in deze zin:


Sprinkhanen vernielden de oogst, ondanks dat de maïs met gif was bespoten.

(a)  

Similar Resources on Wayground