wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling en taal van de afgelopen weken

Total questions: 32

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Waar staat het woord juist geschreven?

a)

princiepe

b)

prinsiepe

c)

principe

d)

prinsipe

2.

Wat moet er op de stippellijn staan?

In het voorjaar bloeit de hya....int heel mooi.

a)

s

b)

ss

c)

sc

d)

c

3.

Wat moet er op de stippellijn staan?

De .....a.....emeel is helaas op.

a)

c en k

b)

k en k

c)

c en c

d)

c en s

4.

Welke zin is goed geschreven?

1. Ben je opas boek kwijtgeraakt?

2. Mag ik Anne's nieuwe jurk aan, denk je?

3. Mijn oma draagt 's winters binnen handschoenen.

a)

zin 1

b)

zin 2

c)

zin 3

d)

zin 2 en 3

5.

Is de zin goed of fout geschreven?

In Israel staan veel historische ruïnes.

a)

goed

b)

fout

6.

Vul het ontbrekende woord in. Je mag kiezen uit: mozaïek, patiënt, financiële.

De (a)   situatie van veel bedrijven is door het coronavirus onzeker geworden.

7.

Als het enkelvoud epidemie is, hoe schrijf je dat dan het meervoud?

(a)  

8.

Welk woord kan ik van onderstaande stukjes maken?

list - na - jour

(a)  

9.

In welke van de onderstaande zinnen zit een fout?

1. De jury keek naar de show.

2. De cowboy liep het station binnen.

3. In het weekent ben ik vaak op de camping.

a)

zin 1

b)

zin 2

c)

zin 3

d)

geen fouten

10.

Maak dit woord af:

event......

a)

-ueel

b)

-ieel

c)

-eaal

d)

-iaal

11.

Maak dit woord af:

trag......

a)

-ueel

b)

-ieel

c)

-iaal

d)

-isch

e)

-tie

12.

Welk woord kun je maken van:

cur - ex - sie

(a)  

13.

Welk woord is juist?

a)

besensap

b)

besesap

c)

bessensap

d)

bessesap

14.

Welke zin is helemaal goed?

a)

De juf was apetrots, want haar klas was berensterk.

b)

In de duivenkooi zong een nachtengaal.

c)

De boekenbon lag in de boekenkast.

d)

Mijn brillenkoker lag in de kattebak.

15.

Vul het onderstaande woord aan:

pro....es....ant

a)

t en th

b)

t en t

c)

th en t

d)

th en th

16.

Vul het onderstaande woord aan.

kl....n....k

a)

i en ie

b)

i en i

c)

ie en ie

d)

ie en i

17.

Vul het woord aan, kies uit -lijk, -heid, -ig, teit. Vul het hele woord in.

elastici (a)  

18.

Welk woord hoort er op de puntjes? Kies uit: adrem, absent, observatie, ontzien.

De jongen werd opgenomen voor (a)   .

19.

Vul het fout geschreven woord goed in.

De personeelchef maakte de plank vast met een schroevendraaier.

(a)  

20.

Wat is het bijvoeglijke naamwoord in de volgende zin:

Er stond een jonge meester voor de klas.

a)

stond

b)

jonge

c)

voor

d)

klas

21.

Welk voorzetsel past op de puntjes?

Er stond een auto .......... een fiets.

a)

langs

b)

tijdens

c)

over

d)

naast

22.

Wat is het bijwoord in de volgende zin?

Dat is een bijzonder nare ontdekking.

(a)  

23.

Waarover zegt een bijwoord iets?

a)

Over het gezegde

b)

Over een bijvoeglijk naamwoord

c)

Over een ander bijwoord

d)

Over alle drie, dus het kan over het gezegde, bijvoeglijk naamwoord of bijwoord zijn.

24.

Is het onderstreepte woord een hoofdtelwoord of een rangtelwoord?

Sommige relschoppers krijgen levenslang een strafblad.

a)

hoofdtelwoord

b)

rangtelwoord

25.

Wat is waar? Er zijn meer antwoorden goed. Klikt ze allemaal aan.

a)

rangtelwoorden geven aan hoeveel er van iets zijn.

b)

hoofdtelwoorden geven een een volgorde aan.

c)

rangtelwoorden geven een volgorde aan.

d)

hoofdtelwoorden geven aan hoeveel er van iets zijn.

e)

alle, enkele, veel en sommige zijn voorbeelden van hoofdtelwoorden.

26.

Wat is het gezegde in de volgende zin?

We zijn al lang niet meer op school geweest.

(a)  

27.

Wat is de juiste vorm van de persoonsvorm?

De relschoppers .................. gisteren snel voor de politie.

a)

vluchte

b)

vluchten

c)

vluchtte

d)

vluchtten

28.

Wat is het infinitief in de volgende zin?

Ik ben benieuwd hoe ze zal reageren.

a)

ben

b)

ben benieuwd

c)

reageren

d)

hoe

29.

Vul de zin goed aan.

Plunderen. Steden werden door deze woestelingen (a)   .

30.

Wat is in de volgende zin het vragend voornaamwoord?

Wie heeft gisteren dat doelpunt gescoord?

(a)  

31.

Welke zin is juist geschreven?

1. Uren stondt ik voor de spiegel.

2. Het verbaasd me jou hier vandaag te zien.

3. Afgelopen week praatten iedereen over de rellen.

4. Ik vermoedde dat jij dit wel wist.

a)

Zin 1

b)

Zin 2

c)

Zin 3

d)

Zin 4

32.

Wat zijn de onderstreepte woorden?

Mijn auto stond naast jouw fiets in de tuin van onze buurman.

a)

bezittelijk voornaamwoorden

b)

persoonlijke voornaamwoorden

c)

aanwijzende voornaamwoorden

d)

vragende voornaamwoorden