wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling 4bk

Total questions: 62

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het meervoud van HAARSPELD?

a)

haarspeldden

b)

haarspelden

2.

Wat is het meervoud van DOUCHE?

a)

douchen

b)

douches

c)

douche's

3.

Wat is het meervoud van PRUIK?

a)

pruiken

b)

pruikken

4.

Wat is het meervoud van RIJST?

a)

rijst

b)

rijsten

c)

rijsts

5.

Wat is het meervoud van HAARSCHUB?

a)

haarschubben

b)

haarschuben

6.

Wat is het meervoud van SCHROEF?

a)

schroeffen

b)

schroefen

c)

schroeven

7.

Wat is het meervoud van MODEL?

a)

modellen

b)

models

c)

moddellen

d)

moddelen

8.

Wat is het meervoud van VOEDSELALLERGIE?

a)

voedselallergiën

b)

voedselallergieën

c)

voedselallergies

9.

Wat is het meervoud van GOLF?

a)

golven

b)

golfen

10.

Wat is het meervoud van KLEURSHAMPOO?

a)

kleurenshampoo

b)

kleurshampoos

c)

kleurshampoo's

11.

Wat is het meervoud van KAPSALON?

a)

kapsalonnen

b)

kapsallonnen

c)

kapsalonen

d)

kapsalons

12.

wat is het meervoud van KORTINGSACTIE?

a)

kortingsacties

b)

kortingsactie's

13.

Wat is het meervoud van MATERIAAL?

a)

materialen

b)

materiallen

c)

materiaalen

14.

Wat is het meervoud van VRIENDIN?

a)

vriendinen

b)

vriendinnen

15.

Wat is het meervoud van LOLLY?

a)

lollies

b)

lolly's

c)

lollys

16.

Wat is het meervoud van idee?

a)

ideën

b)

ideeën

17.

Wat is het meervoud van zee?

a)

zeeën

b)

zeën

18.

Wat is het meervoud van genie?

a)

geniën

b)

genieën

19.

Wat is het meervoud van accu?

a)

accuus

b)

accus

c)

accu's

d)

accuu's

20.

Wat is het meervoud van grens?

a)

grensen

b)

grenzen

21.

Wat is het meervoud van museum?

a)

museums

b)

musea

c)

museums en musea zijn beiden correct

d)

museum heeft geen meervoud

22.

Wat is het meervoud van cadeau?

a)

cadeaus

b)

cadeau's

23.

Wat is het meervoud van moskee

a)

moskees

b)

moskee's

c)

moskeeën

d)

moskeën

24.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Ziektekiem

b)

Ziekteskiem

c)

Ziektenkiem

25.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Bananesplit

b)

Bananensplit

c)

Bananen split

26.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Bolle boos

b)

Bolleboos

c)

Bollenboos

27.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Liefdescène

b)

Liefdesscène

c)

Liefdenscène

28.

Welke samenstelling is juist geschreven

a)

Hordesloper

b)

Hordenloper

c)

Hordeloper

29.

Welke samenstelling is juist geschreven?

a)

Schattebout

b)

Schattenbout

c)

Schatten bout

30.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Je broer (vermijden) ........... eten.

a)

vermijd

b)

vermeed

c)

vermijt

d)

vermijdt

31.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

(braden) .............. jij alvast de hamburgers?

a)

braai

b)

braadt

c)

braad

d)

berad

32.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

33.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

De arts (verbinden) ............ zijn knie.

a)

verbindt

b)

verbint

c)

verbond

d)

verbind

34.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Zijn baas (communiceren) ......... niet erg duidelijk.

a)

communiceerd

b)

communiceerdt

c)

communiceert

d)

communiceertt

35.

Vul de persoonsvorm verleden tijd in.

De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

36.

Vul het juiste voltooid deelwoord in.

Wij zijn (verhuizen) .... naar Amsterdam.

a)

verhuist

b)

verhuisd

c)

verhuizt

d)

verhuizd

37.

Vul het juiste voltooid deelwoord.

Het grootste deel van de rivier is (dichtslibben) ..........

a)

dichtgeslipt

b)

gedichtslibt

c)

dichtgeslibd

d)

dichtgeslibt

38.

Vul het juiste bijvoeglijke naamwoord (BN) in.

Er hingen ook (uitvergroten) .......... foto's.

a)

uitvergrote

b)

uitvergrootte

c)

uitvergrotte

d)

uitvergroote

39.
Het ... (verbranden) huis was helemaal vernietigd.
a)
verbrande
b)
verbrandde
c)
verbranden
d)
verbrandte
40.

Wat is correct?

a)

Word jij voor die rol gevraagd?

b)

Wordt jij voor die rol gevraagd?

41.

Vul de juiste vorm in:

Wij ..... (wachten) gisteren de hele middag op een reactie.

a)

wachte

b)

wachten

c)

wachtte

d)

wachtten

42.
De (blauw) .................. jas.
a)
blauwe
b)
blauw
c)
blauwen
43.
Een (mooi) ..................... jas.
a)
mooie
b)
mooi
c)
mooien
44.
Het (papier) ............... huisje
a)
papiere
b)
papier
c)
papieren
45.
Een (staal) ............ huisje.
a)
stale
b)
staal
c)
stalen
46.
Het (leuk) ...................... bootje.
a)
leuke
b)
leuk
c)
leuken
47.
De (goud) ............. ring.
a)
goude
b)
goud
c)
gouden
48.

Een (groen) ................... hekje.

a)

groene

b)

groen

c)

groenen

49.
Het (vies) ................ haar.
a)
viese
b)
vieze
c)
vies
d)
viesen
50.

Veel jongeren houden van de (mysterieus) avonturen van Harry Potter.

a)

mysterieuse

b)

mysterieus

c)

mysterieuzen

d)

mysterieuze

51.

Een .... autootje. (klein/kleine)

a)

kleine

b)

klein

52.

De vriend is betrouwbaar. De ..... vriend.

a)

betrouwbaar

b)

betrouwbaren

c)

betrouwbare

53.

In welke zin worden de leestekens goed gebruikt?

a)

Hij is erg bijdehand koppig, en eigenwijs.

b)

Hij is erg bijdehand, koppig, en eigenwijs.

c)

Hij is erg bijdehand, koppig en eigenwijs.

d)

hij is erg bijdehand, koppig en eigenwijs

54.

In welke zin worden de leestekens goed gebruikt?

a)

Het lijkt mij een goed idee want anders lopen de besmettingscijfers op.

b)

Het lijkt mij een goed idee, want anders lopen de besmettingscijfers op.

55.

In welke zin worden de leestekens correct gebruikt?

a)

Gerard Walschap zei ‘Smaak is geen kwestie van meerderheid.’

b)

Gerard Walschap zei: ‘Smaak is geen kwestie van meerderheid’.

c)

Gerard Walschap zei: ‘Smaak is geen kwestie van meerderheid.’

56.

In welke zin worden de leestekens correct gebruikt?

a)

Ik was bang dat de deur op slot zou zitten, maar dat bleek niet het geval.

b)

Ik was bang dat de deur op slot zou zitten maar dat bleek niet het geval.

c)

Ik was bang dat de deur op slot zou zitten, maar dat bleek niet het geval

57.

In welke zin worden de leestekens correct gebruikt?

a)

De leerlingen krijgen verschillende vakken aardrijkskunde, Frans, wiskunde…

b)

De leerlingen krijgen verschillende vakken: aardrijkskunde, Frans, wiskunde…

c)

De leerlingen krijgen verschillende vakken, aardrijkskunde, Frans, wiskunde…

58.

Welke namen zijn juist geschreven?

a)

Mevrouw van der Berg

b)

Mevrouw Van der Berg

c)

Mevrouw J. van der Berg

d)

Mevrouw J. Van der Berg

59.

Wanneer krijgen voorvoegsels bij persoonsnamen (zoals 'van der') een hoofdletter?

a)

Altijd

b)

Nooit

c)

Als er geen naam of voorletter voor staat

60.

Welke zin is juist geschreven?

a)

'S middag ben ik vrij.

b)

's Middags ben ik vrij.

c)

3 Uur 's middags ben ik vrij.

61.

Welk citaat is juist geschreven?

a)

Oma zei je krijgt een appel cadeau.

b)

Oma zei: "je krijgt een appel cadeau."

c)

Oma zei: "Je krijgt een appel cadeau."

62.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

deze man komt uit mexico

a)

deze

b)

man

c)

komt

d)

uit

e)

mexico