Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Repetitie middeleeuwen

Total questions: 27

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Welke tijd noemen wij de middeleeuwen

a)

0-1000

b)

500-1000

c)

500-1500

d)

1000-1500

2.

In hoeveel groepen was de samenleving in de middeleeuwen verdeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

3.

In de vroege middeleeuwen waren er al veel kastelen

a)

Waar, er waren al veel kastelen in de vroege middeleeuwen

b)

Niet waar, die waren er pas in de late middeleeuwen

c)

Niet waar, kastelen waren er al voor de middeleeuwen

4.

Geef aan welk plaatje bij het tijdvak van de vroege middeleeuwen hoort

a)

De helm

b)

De boot

c)

De kroon

d)

Het kasteel

5.

In welk jaar waren de Friezen en Franken de baas in Nederland

a)

500 na Christus

b)

600 na Christus

c)

700 na Christus

d)

800 na Christus

6.

Wat gebeurde er met Willibrordus en Bonifatius toen zij naar Friesland reisde

a)

Er gebeurde helemaal niets met ze

b)

Willibrordus werd vermoord en Bonifatius overleefde

c)

Allebei werden ze vermoord

d)

Willibrordus overleefde het en Bonifatius werd vermoord

7.

Waarom gingen Willibrordus en Bonifatius naar Friesland?

a)

Willibrordus en Bonifatius waren monniken die de Friezen wilde overtuigen te geloven in 1 god

b)

Willibrordus en Bonifatius waren monniken die op zoek waren naar een klooster in Friesland

c)

Willibrordus en Bonifatius waren door de koning gestuurd om vrede te sluiten met de Friezen

d)

Willibrordus en Bonifatius waren benieuwd in welke goden de Friezen geloofde

8.

Geef in de juiste volgorde de middeleeuwse samenleving aan

a)

Adel, Geestelijke, Boeren

b)

Boeren, Geestelijke, Adel

c)

Geestelijke, Adel, Boeren

d)

Geestelijke, Boeren, Adel

e)

Adel, Boeren, Geestelijke

9.

Welke rollen had de geestelijke in de middeleeuwen? ( er zijn meerdere antwoorden goed)

a)

De geestelijke konden als enige lezen en schrijven en daarom de bijbel vertalen

b)

De geestelijke waren in dienst van de kerk en konden Gods boodschap doorgeven

c)

De geestelijke beschermde de boeren

d)

De geestelijke werkte hele dagen op het land

10.

Wat was de rol van de adel in de middeleeuwen?

a)

Zij leefde in en rond de kerk

b)

Ze beschermde de boeren en geestelijke als het dorp aangevallen werd

c)

Zij werkte dagen op het land

11.

Leg uit hoe de standleving werkte?

a)

De geestelijke en boer zaten op de rug van de adel

b)

De Adel en boer zaten op de rug van de geestelijke

c)

De geestelijke en adel zaten op de rug van de boer

12.

Het leven van een boer in de middeleeuwen was erg

(a)  

13.

Wat is een monnik

a)

Een man die in het klooster leeft

b)

Een vrouw die in het klooster leeft

c)

De baas van een klooster

14.

Wat is een non?

a)

De baas van het klooster

b)

Een man die in het klooster leeft

c)

Een vrouw die in het klooster leeft

15.

Waar werd een klooster naast het geloof nog meer voor gebruikt?

a)

Winkel en Ziekenhuis

b)

Winkel en School

c)

School en Ziekenhuis

16.

Wie was de bekendste leenheer in de middeleeuwen?

a)

Julius Caesar

b)

Karel de Grote

c)

Napoleon

d)

Columbus

17.

Wie was de heerser van dit gebied?

(a)  

18.

Een leenman leende een stuk grond van de leenheer (koning)

a)

Dat is waar

b)

Dat is niet waar

c)

Dat gebeurde soms

19.

Karel de grote gebruikte leenmannen omdat

(a)  

20.

De vier belangrijkste steden in het rijk van Karel de Grote waren

a)

Amsterdam, Brussel, Parijs en Madrid

b)

Aken, Nijmegen, Parijs en Toulouse

c)

Aken, Amsterdam, Nijmegen en Parijs

d)

Toulouse, Brussel, Aken en Nijmegen

21.

In welke stad werd Mohammed geboren?

(a)  

22.

Naar welke stad moest Mohammed vluchten?

a)

Jeruzalem

b)

Medina

c)

Constantinopel

d)

Ankara

23.

In welk jaar moest Mohammed vluchten?

a)

622

b)

822

c)

654

d)

854

24.

Noem minimaal twee van de vijf zuilen van de Islam

4 lines
25.

Uit welke landen kwamen de Vikingen?

a)

Spanje, Portugal en Frankrijk

b)

Denemarken, Zweden en Noorwegen

c)

Zweden, Finland en Noorwegen

d)

Duitsland, Denemarken en Zweden

26.

Welk dier was vaak te zien aan de voorkant van een schip van de Vikingen

a)

Leeuw

b)

Paard

c)

Draak

d)

Beer

27.

Een ander woord voor Vikingen is

a)

Noormannen

b)

Hunnen

c)

Moren

d)

Vandalen