wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pluriforme samenleving 7.1 t/m 7.4

Total questions: 36

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

de dominante cultuur is:

a)

De cultuur van een kleine groep mensen

b)

De cultuur waarin één iemand de baas (dus dominant) is.

c)

De cultuur die de meeste mensen in een land hebben.

d)

De normen waarden en gewoonten van een groep mensen

2.

een subcultuur is:

a)

De cultuur van een kleine groep mensen

b)

De cultuur die de meeste mensen in een samenleving hebben.

c)

Een cultuur van mensen die graag naar de Subway gaan

d)

De normen waarden en gewoonten van een groep mensen

3.

een vooroordeel is:

a)

een oordeel over iemand zonder dat je die persoon echt kent

b)

een oordeel over één van je vrienden

c)

een oordeel van de rechtbank na een strafbaar feit

d)

een oordeel van je ouders over je vrienden

4.

als je een vooroordeel hebt over een hele groep mensen noem je dat:

a)

een vooroordeel

b)

tolerant zijn

c)

een stereotype

d)

discriminatie

5.

wanneer ben je immigrant?

a)

Als je Nederland binnen komt om er te gaan wonen

b)

Als je uit Nederland vertrekt om in een ander land te gaan wonen

6.

Dominante cultuur of een subcultuur?

a)

dominante cultuur

b)

subcultuur

7.

Boeren in Nederland behoren tot ... ?

a)

De dominante cultuur

b)

Een subcultuur

8.

Poolse mensen gaan in Nederland vooral naar Poolse kerkdiensten, Poolse Supermarkten en gaan enkel met Poolse mensen om. Welk begrip herken je hier?

a)

Segregatie

b)

Assimilatie

c)

Integratie

d)

Discriminatie

9.

Wat betekent integratie?

a)

Bevolkingsgroepen leven gescheiden van elkaar

b)

Bevolkingsgroepen moeten zich volledig aanpassen aan de dominante cultuur

c)

Uitwisseling van subculturen van nieuwkomers en de dominante cultuur.

d)

De bevolkingsgroepen moeten zich houden aan de Nederlandse waarden en normen

10.

Vink de drie voorbeelden van subculturen aan.

a)

Afkomst

b)

Geloof

c)

Een gezin

d)

Jongeren

e)

Overheid

11.

Utrechters hebben een groepsgevoel op basis van ...

a)

Plaats

b)

Geloof

c)

Belangen

d)

Interesses

12.

In Nederland hoort Sinterklaas vieren bij een subcultuur

a)

waar

b)

niet waar

13.

Je vervangt bijna alles van de cultuur uit het land waar je vandaan komt door de dominante cultuur. Dit noem je

a)

assimilatie

b)

segregatie

c)

integratie

14.

Vul in: De overheid probeert de integratie te stimuleren. Dit doen ze door (a)   scholen te stimuleren.

15.

Vul in: Integratie kan je bevorderen volgens de overheid door extra lessen (a)   te geven

16.

Subculturen kunnen ontstaan op basis van muzieksmaak en je woonplaats

a)

waar

b)

niet waar

17.

we spreken van racisme als:

a)

iemand ander behandeld wordt op grond van zijn / haar leeftijd

b)

iemand ander behandeld wordt op grond van zijn / haar geslacht

c)

iemand ander behandeld wordt op grond van zijn / haar afkomst

d)

iemand ander behandeld wordt op grond van zijn / haar geloof

18.

Welke redenen hadden migranten de afgelopen 60 jaar om naar Nederland te komen?

a)

Het prettige klimaat

b)

werk

c)

gezinshereniging

d)

veiligheid, op de vlucht voor oorlog of ander geweld

e)

ze woonden in Nederlandse koloniën en die werden onafhankelijk. Uit angst voor onrust kwamen ze naar Nederland

19.

Dominante cultuur of een subcultuur?

a)

dominante cultuur

b)

subcultuur

20.

Dominante cultuur of een subcultuur?

a)

dominante cultuur

b)

subcultuur

21.

Poolse mensen gaan in Nederland vooral naar Poolse kerkdiensten, Poolse Supermarkten en gaan enkel met Poolse mensen om. Welk begrip herken je hier?

a)

Segregatie

b)

Assimilatie

c)

Integratie

d)

Discriminatie

22.

Wat betekent integratie?

a)

Bevolkingsgroepen leven gescheiden van elkaar

b)

Bevolkingsgroepen moeten zich volledig aanpassen aan de dominante cultuur

c)

Uitwisseling van subculturen van nieuwkomers en de dominante cultuur.

d)

De bevolkingsgroepen moeten zich houden aan de Nederlandse waarden en normen

23.

Wat bepaalt je cultuur niet?

a)

normen en waarden

b)

politieke voorkeur

c)

tradities & gewoonten

d)

kunst, sport, feestdagen & symbolen

24.

Als we iemand zien, vormen we vaak automatisch een beeld van diens:

a)

identiteit

b)

politieke voorkeur

c)

sociale omgeving

d)

kunst, sport, feestdagen & symbolen

25.

Gothics vormen een:

a)

dominante cultuur

b)

subcultuur

c)

etnische subcultuur

d)

een tegencultuur

26.

Naar school of je werk fietsen, tussen de middag een boterham eten en op 5 december Sinterklaas vieren zijn voorbeelden van:

a)

dominante cultuur

b)

subcultuur

c)

etnische subcultuur

d)

een tegencultuur

27.

Uit welk land komen migranten van koloniën?

a)

Argentinië

b)

Suriname

c)

Syrië

d)

Marokko

28.

Moslims vormen in Nederland de dominante cultuur

a)

waar

b)

niet waar

29.

In Nederland hebben we een aantal basisafspraken. Welke horen daar bij?

a)

vrijheid van menigsuiting

b)

vrije schoolkeuze

c)

vrijheid van godsdienst

d)

gelijkheid van mannen en vrouwen

e)

verbod op discriminatie

30.

een vooroordeel is:

a)

een oordeel over iemand zonder dat je die persoon echt kent

b)

een oordeel over één van je vrienden

c)

een oordeel van de rechtbank na een strafbaar feit

d)

een oordeel van je ouders over je vrienden

31.

Welke term wordt steeds vaker in plaats van "allochtoon" gebruikt?

a)

inwoners met een migratieachtergrond

b)

ontworteld

c)

verhuisd

d)

inwoners met buitenlands invloed

32.

Wat is de beste omschrijving? Een pluriforme samenleving is een samenleving met:

a)

Veel etnische groepen

b)

Een grote culturele diversiteit

c)

Evenveel allochtonen als autochtonen

d)

Veel botsingen tussen subculturen en de dominante cultuur

33.

De beste omschrijving van socialisatie is dat mensen

a)

Waarden en normen krijgen overgedragen.

b)

Sancties leren waarderen.

c)

Subculturen leren kennen.

d)

Kenmerken van de dominante cultuur leren kennen.

34.

De dominante Nederlandse cultuur noemen we inividualistisch

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Ik mocht naar de middelbare school en kreeg later een goede baan. Dat was heel bijzonder voor een meisje

a)

Ontzuiling

b)

Emancipatie

c)

Globalisering

d)

Individualisering

36.

Noem een nadeel van het toenemen van individualisme in de maatschappij

a)

Socialer zijn

b)

Egoïsme

c)

toename een zaamheid

d)

discriminatie