wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Plein M VMBO-LBK 1A H3

Total questions: 31

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Wat is afkomst?

a)

Afkomst is het land waar jij vandaan komt

b)

Afkomst is het land waar je voorouders vandaan komen

c)

Afkomst is het land waar je kinderen vandaan komen

d)

Afkomst is het land waar je woont

2.

Wat is herkomst?

a)

Herkomst is het land waar jij vandaan komt

b)

Herkomst is het land waar je voorouders vandaan komen

c)

Herkomst is het land waar je kinderen vandaan komen

d)

Herkomst is het land waar je woont

3.

Wie zijn allochtoon?

a)

Mensen die in het buitenland zijn geboren en hun kinderen

b)

Mensen die nog nooit verhuisd zijn

c)

Mensen van wie beide ouders in het land zelf zijn geboren

d)

Mensen die uit een land verhuizen

4.

Wie zijn autochtoon?

a)

Mensen die in het buitenland zijn geboren en hun kinderen

b)

Mensen die nog nooit verhuisd zijn

c)

Mensen van wie beide ouders in het land zelf zijn geboren

d)

Mensen die uit een land verhuizen

5.

Welke van deze mensen zijn migranten? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

a)

Lola woont al haar hele leven in hetzelfde huis

b)

Bart is net verhuisd van Assen naar Zwolle

c)

Ezra is toen hij drie jaar oud was van Israël naar Frankrijk verhuisd

6.

Welke zin is waar?

a)

Een emigrant is iemand die naar een ander land verhuist

b)

Een immigrant is iemand die naar een ander land verhuist

7.

Waar of niet waar:

Iemand is een Nederlander als diegene een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart heeft.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Welke twee vakjes zijn voorbeelden van een argument?

a)

Ik vind Engels een belangrijk vak,

b)

omdat de taal in veel landen gesproken wordt.

c)

M & M vind ik ook leuk,

d)

omdat ik hier leer over geschiedenis.

9.

Welke twee vakjes zijn voorbeelden van een mening?

a)

Ik vind Engels een belangrijk vak,

b)

omdat de taal in veel landen gesproken wordt.

c)

M & M vind ik ook leuk,

d)

omdat ik hier leer over geschiedenis.

10.

Welke twee zinnen zijn juist?

a)

Een oorzaak is wat er gebeurt door een eerdere gebeurtenis

b)

Een gevolg is wat er gebeurt door een eerdere gebeurtenis

c)

Een oorzaak is de reden dat iets gebeurt

d)

Een gevolg is de reden dat iets gebeurt

11.

Waar wordt een altaar voor gebruikt?

a)

Een altaar wordt gebruikt om je mening uit te leggen

b)

Een altaar wordt gebruikt om een grens aan te geven in het Romeinse rijk

c)

Een altaar wordt gebruikt om te bidden en offeren

d)

Een altaar wordt gebruikt als gebouw om samen te komen

12.

Een bovenmenselijk wezen dat door mensen wordt aanbeden noem je een...?

a)

mythe

b)

alien

c)

god(in)

d)

pokémon

13.

Welke zin is waar?

a)

De aanhangers van het christendom noem je joden

b)

De aanhangers van het jodendom noem je christenen

c)

De aanhangers van de christenen noem je christendom

d)

De aanhangers van het jodendom noem je joden

14.

Wat is de Bijbel?

(a)  

15.

Wat is het gebouw waar christenen samenkomen?

a)

de synagoge

b)

de moskee

c)

de kerk

d)

de tempel

16.

Welke zin is waar?

a)

De aanhangers van het christendom noem je joden

b)

De aanhangers van het jodendom noem je christenen

c)

De aanhangers van de christenen noem je christendom

d)

De aanhangers van het christendom noem je christenen

17.

Onder welke naam kennen we Christus nog meer?

(a)  

18.

Wie is de leider van de katholieke kerk? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

a)

De koning

b)

God

c)

De paus

d)

De bisschop van Rome

19.

Hoe noemde je de baas van het Romeinse rijk?

(a)  

20.

Hoe heten de mensen over wie een keizer de baas is?

(a)  

21.

Galliërs, Germanen, Romeinen, Grieken... wat zijn dit?

a)

Namen van volkeren

b)

Namen van landen

c)

Namen van grenzen

d)

Namen van dieren

22.

Hoe noem je een grens van het Romeinse rijk?

a)

limoen

b)

limes

c)

border

d)

rijn

23.

Noem een voorbeeld van een natuurlijke grens.

4 lines
24.

Wat hoort bij cultuur? Je kunt meerdere antwoorden aanklikken.

a)

Dingen die een groep mensen vind

b)

Dingen die een groep mensen doet

c)

Dingen die een groep mensen maakt

25.

Wat vind jij een belangrijke waarde? (Geen goede of foute antwoorden)

a)

Eerlijkheid

b)

Respect

c)

Vriendschap

d)

Tolerantie

26.

Wat is een voorbeeld van een norm?

a)

Peren zijn lekkerder dan appels

b)

Ik vind wandelen leuk

c)

Je mag niet liegen

d)

Een boom is van hout

27.

Een multiculturele samenleving is...

a)

een land waar mensen van verschillende culturen samen leven

b)

een land waar iedereen dezelfde cultuur heeft

c)

een land waar cultuur extra belangrijk is

d)

een land waar mensen van verschillende culturen apart van elkaar leven

28.

Noem een voorbeeld van een held

4 lines
29.

Noem een voorbeeld van een symbool

4 lines
30.

Welke ben jij?

a)

Ik begrijp het niet. Ik heb veel hulp nodig.

b)

Ik begrijp het bijna. Ik heb soms hulp nodig

c)

Ik begrijp het goed. Ik maak weinig fouten.

d)

Ik begrijp het perfect. Ik kan het aan een ander uitleggen.

31.

Wat voor cijfer denk je te halen voor de toets?

a)

Een onvoldoende

b)

Tussen de 5 en 7

c)

Tussen de 7 en 9

d)

Een 10!