WorksheetsTest jezelf VWO4 Zouten Chemie Overal H4
Total questions: 20
Worksheet time: 39mins
Geef de formule van calciumfosfaat:
Ca3(PO4)2
Ca3P2
CaP
CaPO4
Geef de formule van kwik(I)carbonaat:
HgCO3
KCO3
Hg2CO3
K2CO3
Geef de naam van Al2O3.
(a)
Geef de systematische naam van Pb(NO3)4 .
(a)
Geef de zoutformule van "bruinsteen". (bruinsteen is een triviale naam)
MnO
MnO2
MnO3
MnO4
(a) (vul in) zijn zouten die water hebben opgenomen in hun ionrooster.
Het water dat wordt gebonden heet (a) (vul in).
Het opnemen van kristalwater is een ........ proces
endotherm
exotherm
Het afstaan van kristalwater is een ..... proces.
endotherm
exotherm
Geef de vergelijking voor het oplossen van magnesiumsulfaat in water.
MgSO4 (s) → MgSO4 (aq)
MgSO4 (s) → Mg+ (aq) + SO4− (aq)
MgSO4 (s) → Mg2+ (aq) + SO42− (aq)
Lost niet op.
Aluminiumchloride is een hydraat met de formule AlCl3·xH2O.
0,075 mol aluminiumchloride kan 0,45 mol water opnemen.
Bereken de waarde van x in de formule van dit hydraat.
4
5
6
7
Bereken hoeveel gram water verdampt als je 250 gram gips (calciumsulfaatdihydraat, CaSO4 . 2 H2O) verwarmt.
Ga er vanuit dat al het aanwezige kristalwater verdampt.
Geef je antwoord in drie significante cijfers.
Tip: bereken het aantal mol gips en bereken daarmee het aantal mol H2O dat ontstaat (2x zoveel, want molverhouding = 1:2 door 2H2O).
Met aantal mol H2O kan je het aantal gram water berekenen
(a)
Geef de systematische naam van FeSO4•7H2O
(a)
Bereken de molariteit van de volgende oplossing: 3,0 mol suiker in 2,0 L water.
Geef je antwoord in mol/L met twee decimalen.
Laat de eenheid mol/L weg in je antwoord (dus geef alleen de getallen)
(a)
Geef de molariteit in M van de volgende oplossing: 6,0 mmol suiker in 150 mL water
Geef je antwoord zonder eenheid (alleen de getallen) en met 2 decimalen.
(a)
n een bepaald soort tafelazijn zit 4,0 gram azijnzuur (CH3COOH) per 100 mL.
Bereken de molariteit van het azijnzuur.
0,67 M
0,067 M
0,004 M
0,04 M
Je lost 17 gram ijzer(II)chloride op tot 1,42 liter oplossing.
Bereken de concentratie van de chloride‑ionen in deze oplossing in mol/L.
0, 13 mol/L
9,4·10−2 mol/L
11,97
0,19 mol/L
Welke kleur heeft een oplossing van ijzer(III)sulfaat?
blauw
kleurloos
geel
rood
Leg uit wat er gebeurt met de molariteit van de glucoseoplossing in onderstaande proef: je neemt 500 mL van een glucoseoplossing en voegt 100 mL water toe.
molariteit blijft gelijk
molariteit gaat omhoog (geconcentreerder)
molariteit gaat omlaag (minder geconcentreerd)
Leg uit wat er gebeurt met de hoeveelheid opgeloste glucose in de glucoseoplossing in onderstaande proef: je neemt 500 mL van een glucoseoplossing en voegt 100 mL water toe.
blijft gelijk
wordt meer
wordt minder
