Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Intro grammatica P3 klas 3

Total questions: 22

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Startvraag: hoe goed vind je zelf dat je in grammatica bent?

a)

Heel erg goed, ik snap alles al

b)

Best goed, ik snap heel veel

c)

Een beetje goed, ik snap sommige dingen wel en sommige dingen niet

d)

Niet zo goed, er zijn weinig dingen die ik snap

e)

Heel slecht, ik snap niets van grammatica

2.

Wat zijn woordsoorten?

4 lines
3.

Het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord schrijf je zo ... mogelijk.

(a)  

4.

"mens" is een zelfstandig naamwoord

a)

juist

b)

onjuist

5.

De, het, een noem je?

(a)  

6.

Geef van het onderstreepte woord aan wat de woordsoort is: Sushi wordt gemaakt in Japan.

a)

werkwoord

b)

voegwoord

c)

lidwoord

7.

Geef van het onderstreepte woord aan wat de woordsoort is: Mijn zusje heeft een groene auto.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

voegwoord

8.

Geef van het onderstreepte woord aan wat de woordsoort is: De leerlingen van klas 3 mochten eindelijk weer naar school.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

voegwoord

c)

lidwoord

d)

persoonsvorm

9.

Wat is het verschil tussen een zelfstandig naamwoord en een bijvoeglijk naamwoord?

4 lines
10.

Vul in: De muren van het lokaal zijn beklad. De ... muren.

(a)  

11.

Vul in: Het hekje is blauw geverfd. Het ... hekje.

(a)  

12.

Vul in: Het schilderij is gekocht. Het ... schilderij.

(a)  

13.

Vul in: De kerstboom is door de kinderen versierd. De ... kerstboom.

(a)  

14.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Ik liep naar school met Meike.

a)

liep

b)

met

c)

Ik

d)

Meike

15.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Wij hebben zes repen chocola gekocht.

a)

Wij

b)

hebben

c)

chocola

d)

gekocht

16.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Takkie is het hondje van Jip en Janneke.

a)

Takkie

b)

het

c)

hondje

d)

is

17.

Wat is het onderwerp in de volgende zin: Marieke en Jeremy waren samen naar de film.

a)

Marieke

b)

Jeremy

c)

Marieke en Jeremy

d)

naar de film

18.

Wat is het onderwerp in de volgende zin: Mevrouw Jansen was ziek en daarom viel de les uit.

a)

de les

b)

ziek

c)

Mevrouw Jansen

d)

Mevrouw

19.

Wat is het onderwerp in de volgende zin: Samen met de rest van de klas gaf de allerliefste leerling een bosje bloemen aan de docent.

a)

samen

b)

de leerling

c)

de allerliefste leerling

d)

een bosje bloemen

e)

aan de docent

20.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin: De meester heeft de hele dag gewerkt.

a)

de meester

b)

heeft

c)

heeft de hele dag

d)

heeft gewerkt

21.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin: De leerlingen moesten tijdens gym de hele les turnen.

a)

de leerlingen

b)

moesten

c)

moesten turnen

d)

tijdens gym

22.

Eindvraag: op een schaal van 1-10, hoe goed vind je nu (na deze les) dat je bent in grammatica?

a)

1-3

b)

4-6

c)

7-8

d)

9-10