Font size
WorksheetsWerkwoordspelling (VDW en BGVDW)
Total questions: 20
Worksheet time: 3600secs
Pim geeft het (a) (inpakken) cadeau aan Liza.
De (a) (opvouwen) handdoeken liggen in de kast.
Ik leg de (a) (verwarmen) kruik tegen mijn buik.
De (a) (aaien) hond begon te grommen.
Het (a) (redden) dier loopt weer door het bos.
Ik stop de (a) (schrijven) brief in de brievenbus.
Op tafel staat een (a) (smelten) kaas.
Mijn zusje prikte de (a) (blazen) bel kapot.
Het (a) (stranden) schip trekt veel aandacht.
Ze werd misselijk van al de (a) (drinken) limonade.
Meneer de boer heeft een fiets (a) (kopen).
Hij is nog nooit in Afrika (a) (zijn).
Jullie hebben een kuil (a) (graven).
Ik heb een kleurboek (a) (vragen).
Sam heeft naar de muziek (a) (luisteren).
Lia heeft afgelopen week veel buiten (a) (spelen).
Sven heeft dat liedje (a) (fluiten).
Ronald heeft zijn tong aan de soep (a) (branden).
Ik heb de suiker door de thee (a) (roeren).
We hebben op school (a) (hinkelen).
