wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatik Kapitel 1-5 mavo/havo 2

Total questions: 38

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Vertaal: jullie zijn

(a)  

2.

Vertaal: u bent

(a)  

3.

Vertaal: jij bent

(a)  

4.

Vertaal: wij zijn

(a)  

5.

Vertaal: hij heeft

(a)  

6.

Vertaal: jullie hebben

(a)  

7.

Vertaal: jij hebt

(a)  

8.

Vertaal: zij heeft

(a)  

9.

Woorden die eindigen op -e, -heit, -keit, -schaft, -ung zijn vaak:

a)

mannelijk

b)

vrouwelijk

c)

onzijdig

10.

'Het' woorden in het Duits krijgen vaak het lidwoord:

a)

der

b)

die

c)

das

11.

Stier: der, die das?

a)

die

b)

der

c)

das

12.

Hoe maak je meestal het meervoud van mannelijke woorden?

a)

+ (e) n

b)

+ s

c)

+e

d)

blijven onveranderd

e)

Umlaut + e

13.

Hoe maak je het meervoud van onzijdige woorden?

a)

+ e

b)

blijven onveranderd

c)

+ s

d)

Umlaut + e

e)

+ (e) n

14.

Maak het meervoud van: der Onkel

(a)  

15.

Maak het meervoud van: die Straße

(a)  

16.

Maak het meervoud van das Taxi

(a)  

17.

Maak het meervoud van: das Heft

(a)  

18.

Maak het meervoud van: das Mädchen

(a)  

19.

Vertaal: jij speelt

(a)  

20.

Wat is het geheugensteuntje om de uitgangen van de werkwoorden in de tegenwoordige tijd bij zwakke werkwoorden te onthouden?

a)

geen geklier met ier

b)

(fe)esttenten

c)

ge + stam + t

d)

goedbuf

21.

Vertaal: jij heet (heißen)

(a)  

22.

Vertaal: hij heet (heißen)

(a)  

23.

Vertaal: jullie spelen

(a)  

24.

Vertaal: ik speel (spielen)

(a)  

25.

Hoe maak je een voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden? ...+...+...

(a)  

26.

Maak het voltooid deelwoord van: machen

(a)  

27.

Maak het voltooid deelwoord van: studieren

(a)  

28.

Maak het voltooid deelwoord van: besuchen

(a)  

29.

Maak het voltooid deelwoord van: hören

(a)  

30.

Maak het voltooid deelwoord van: beschreiben (sterk!)

(a)  

31.

Vertaal: een man (Mann)

(a)  

32.

Vertaal: een rekening (Rechnung)

(a)  

33.

Vertaal: onze vader

(a)  

34.

Vertaal: jullie zus

(a)  

35.

Vertaal: zijn patat

(a)  

36.

Vertaal: uw huis

(a)  

37.

Vertaal: jouw vriend

(a)  

38.

Vertaal: jullie moeder

(a)