Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V2 Toets H3 Warmte en temperatuur

Total questions: 21

Worksheet time: 2hrs 46mins

Name
Class
Date
1.

Welk van de volgende beweringen is NIET waar?

a)

Een houten soeplepel is een goede warmtegeleider.

b)

15 MJ = 15 000 000 J

c)

De gevoelstemperatuur is lager als het harder waait.

d)

Als het temperatuurverschil tussen een voorwerp en de omgeving groter is, gaat er minder warmte verloren.

e)

Voor alle vormen van warmtetransport is een stof nodig.

2.

De volledige verbranding van hout is een chemische reactie waarbij twee stoffen worden omgezet in twee andere stoffen. Deze reactie kan weergegeven worden in een schema(zie hieronder).
Wat moet er (in de juiste volgorde) op de open plekken staan?

 Hout +..........   => .......... + ............Hout\ +..........\ \ \ =>\ ..........\ +\ ............  

a)

waterdamp ; zuurstof ; koolstofmonoxide

b)

koolstofdioxide ; waterdamp ; zuurstof

c)

zuurstof ; waterdamp ; koolstofmonoxide

d)

zuurstof ; waterdamp ; koolstofodioxide

3.

In een woonkamer staan 3 radiatoren. De CV pompt warm water via de buizen naar de radiatoren.

Op welke twee manieren wordt de warmte van de radiatoren door de woonkamer getransporteerd?

a)

Door stroming

b)

Door straling

c)

Door geleiding

4.

Welke voorwaarde voor een verbranding wordt er weggenomen als de brandweer een brand met schuim blust?

a)

Zuurstof

b)

Brandstof

c)

Temperatuur

5.

In een open hard brandt een blok droog hout van 5 kg.

De verbrandingswarmte van droog hout is 16 MJ/kg.

Bereken hoeveel warmte er vrijkomt wanneer het blok hout volledig verbrandt.

a)

16 MJ

b)

32 MJ

c)

54 MJ

d)

80 MJ

6.

Reken om:

78 °C = .......... K

a)

-195 K

b)

351 K

c)

21294 K

d)

3,5 K

7.

Reken om:


58 kJ = … MJ

a)

5,8 MJ

b)

0,58 MJ

c)

0,058 MJ

d)

0,0058 MJ

8.

Ans wil bepalen hoeveel energie een theelichtje (waxinelichtje) per seconde afgeeft. Zij bepaalt daartoe de massa van het waxinelichtje en onderzoekt hoe lang het lichtje brandt. De massa van het nieuwe waxinelichtje is 15 g. Dit waxinelichtje brandt 4,5 uur. De verbrandingswarmte van waxine is 40 kJ/g.

Hoeveel warmte komt er per seconde vrij?

a)

8,9 Joule per seconde

b)

133,3 Joule per seconde

c)

12 Joule per seconde

d)

37 Joule per seconde

9.

De energiesoort die op een zonnecel valt, is …

a)

Bewegingsenergie

b)

Chemische energie

c)

Stralingsenergie

d)

Warmte

10.

Een gloeilamp heeft een opgenomen vermogen van 60 Watt. Het rendement van de gloeilamp is 8%.

Bereken hoeveel warmte de gloeilamp produceert per seconde.

a)

60 watt aan warmte

b)

4,8 watt aan warmte

c)

55,2 watt aan warmte

d)

63 watt aan warmte

11.

Een glazen ruit zit in een aluminium frame. Het frame past precies om het glas heen. Als de temperatuur stijgt zetten beide stoffen uit. Glas zet 0,076% uit per 100 °C temperatuursverschil, aluminium zet 0,23% uit per 100 °C temperatuursverschil.

Welke stof zet het meest uit?

a)

Glas

b)

Aluminium

c)

beide zetten evenveel uit

d)

dat kun je niet berekenen omdat je de afmetingen van het glas en aluminium niet weet.

12.

Een aardgasbrander heeft 0,8 m3 aardgas nodig om een bepaalde hoeveelheid water te laten koken.

Bereken hoeveel droog hout je zou moeten verbranden om dezelfde hoeveelheid water te koken.

a)

1,0 kg drooghout

b)

2,5 kg droog hout

c)

1,6 kg droog hout

d)

6,1 kg droog hout

13.

Welk van de onderstaande gassen dragen bij aan het natuurlijke broeikaseffect?

a)

Waterstof

b)

Waterdamp

c)

Koolstofdioxide

d)

Propaan

e)

Methaan

14.

Een energiebron is duurzaam als de bron niet uitgeput raakt en als de energieproductie niet schadelijk is voor het leven op aarde.

Welk van de onderstaande energiebronnen voldoen hieraan?

a)

windmolens

b)

biodiesel gemaakt uit gewassen

c)

waterstof gemaakt uit aardgas

d)

aardwarmte

e)

auto die volledig op zonlicht rijdt

15.

welke vorm van warmte transport is in de figuur weergegeven?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

16.

In de afbeelding zie je een gloeilamp en een LED. De LED levert evenveel licht als de gloeilamp.

Bereken het opgenomen vermogen van de LED.

a)

De LED neemt 60 Watt op

b)

De LED neemt 4 Watt op

c)

De LED neemt 10 Watt op

d)

De LED neemt 20 Watt op

17.

Tara heeft metingen verricht en zet de meetpunten in een diagram. Ze tekent een vloeiende lijn die zo goed mogelijk bij de meetpunten aansluit. Zie de figuur. Hoe heet deze techniek?

a)

Extraheren

b)

Extrapoleren

c)

Interpoleren

d)

Intervisie

18.

Wat is warmte?

a)

Dat is hetzelfde als temperatuur

b)

Dat is een vorm van energie

c)

Dat is een vorm van brandstof

d)

Dat is hetzelfde als Kelvin

19.

In de figuur zie je een vloeistofthermometer. De temperatuur kan worden afgelezen in °C.

Welke twee ijkpunten heeft de Celsius schaal?

a)

Smeltpunt van water

b)

Smeltpunt van kaarsvet

c)

Kookpunt van water

d)

Kookpunt van kaarsvet

20.

Welke temperatuur geeft de thermometer in het plaatje aan?

a)

75 °C

b)

25 °C

c)

-75 °C

d)

-25 °C

21.

Een aluminiumstaaf is 14,0 m lang bij een temperatuur van 20 °C. Bij een temperatuurstijging van 100°C zet de staaf 0,23% uit.

Bereken de lengtetoename van de staaf in millimeter, bij een temperatuur van 42°C.

a)

0,322 mm

b)

32,2 mm

c)

13,5 mm

d)

7,1 mm