WorksheetsPersoonlijke en bezittelijke vnw - Nederlands VTI - 1STa
Total questions: 16
Worksheet time: 8mins
Is het onderstreepte woord een bezittelijk voornaamwoord of een persoonlijk voornaamwoord?
Tijdens de vakantie mag ik af en toe uitslapen.
Een bezittelijk voornaamwoord
Een persoonlijk voornaamwoord
Is het onderstreepte woord een bezittelijk voornaamwoord of een persoonlijk voornaamwoord?
Ik heb mijn broer al vaak op leugens betrapt.
Een bezittelijk voornaamwoord
Een persoonlijk voornaamwoord
Welke persoonlijke voornaamwoorden herken je in deze zin?
Ruben en Lisa wonen naast ons, maar we kennen hen niet goed.
ons
hen
ons + hen
Zijn de onderstreepte woorden bezittelijke voornaamwoorden of persoonlijke voornaamwoorden?
Morgen ga ik niet meer met zijn fiets naar school, maar met de mijne.
bezittelijke voornaamwoorden
persoonlijke voornaamwoorden
Is het onderstreepte woord een bezittelijk voornaamwoord of een persoonlijk voornaamwoord?
Is je neefje al oud genoeg om te voetballen met ons?
een bezittelijk voornaamwoord
een persoonlijk voornaamwoord
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zinnen?
Mathieu van der Poel won het wereldkampioenschap veldrijden afgelopen weekend. Hij is blij met zijn vierde wereldtitel. Had jij deze overwinning verwacht?
Mathieu van der Poel
zijn
hij
jij
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Had ik je niet gevraagd om jouw agenda in te vullen?
je
jouw
je + jouw
ik
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zinnen?
De organisatie Natuurpunt vroeg ons om afgelopen weekend zoveel mogelijk vogels te tellen. Hoeveel heb je er in jouw tuin gezien?
ons
je
jouw
De organisatie Natuurpunt
Vul de zin aan met een passend voornaamwoord.
Ben je stiekem toch naar de kapper geweest? (a) haar ziet er helemaal anders uit!
Vul de zin aan met een passend voornaamwoord.
Wij zijn te vertrouwen.
Aan (a) kun je al je geheimen vertellen.
Vul de zin aan met een passend voornaamwoord.
Op de fruitschaal ligt het appeltje dat je wilde meenemen. Ben je (a) vergeten?
Vul de zin aan met het passend voornaamwoord.
Volgende week zaterdag moet je vrijhouden. We willen (a) verrassen!
Vul de zin aan met het passend voornaamwoord.
Jij hebt een goede laptop. Hoeveel heb je betaald voor (a) ?
Vul de zin aan met het passend voornaamwoord.
Excuseer mijnheer de directeur, mag ik (a) iets vragen?
Vul de zin aan met het passend voornaamwoord.
Ik vind het leuk om met jou en je vrienden te sporten. Mag ik dinsdag meefietsen met (a) ?
Vul de zin aan met het passend voornaamwoord.
Hij kiest altijd de moeilijkste oefeningen. (a) strategie is om veel te herhalen om alles goed te begrijpen.
