wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 elektriciteit P123

Total questions: 22

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat heb je nodig om een lamp te laten branden?

a)

Lamp

b)

Bedrading

c)

Spanningsbron

d)

vuur

2.

Welke stoffen zijn geleiders?

a)

Staal

b)

Koper

c)

Ivoor

d)

Hout

3.

Hoe meet je stroomsterkte?

a)

Met een ampèremeter

b)

Met een voltmeter

c)

Met een spanningsmeter

d)

Met een weerstandsmeter

4.

2 KΩ is gelijk aan ...

a)

2000 Ω

b)

0.02 Ω

c)

200 Ω

d)

0.002 Ω

5.

3 mA is gelijk aan ...

a)

3000 A

b)

0.03 A

c)

300 A

d)

0.003 A

6.

1 V is gelijk aan ... en ...

a)

0.001 kV

b)

0.001 mV

c)

1000 kV

d)

1000 mV

7.

Stroomsterkte meet je in ...

a)

Ampère

b)

Volt

c)

Weerstand

d)

Ohm

8.

Spanning meet je in ...

a)

Ampère

b)

Volt

c)

Weerstand

d)

Ohm

9.

Welke bewering klopt wat betreft stroomsterkte

a)

Het aantal deeltjes dat per seconde door een kabel gaat

b)

De hoeveelheid energie die elk deeltje meeneemt

10.

Welke bewering klopt wat betreft de spanning

a)

Het aantal deeltjes dat per seconde door een kabel gaat

b)

De hoeveelheid energie die elk deeltje meeneemt

11.

Wat is de spanning van een stopcontact?

a)

230 V

b)

100 V

c)

2.3 kV

d)

1000 V

12.

Als je 3 batterijen van 3 volt in serie hebt geschakeld, wat is dan de totale spanning?

a)

9 Volt

b)

9

c)

3 Volt

d)

3

13.

Hoe kun je een lamp (wat 20 Volt nodig heeft) aansluiten op een stopcontact?

a)

Dankzij een transformator

b)

Dankzij een weerstand

c)

Geen van de opties kloppen

d)

Zowel een transformator of een weerstand is mogelijk

14.

Wat doet een transformator?

a)

De stroomsterkte verhogen of verlagen

b)

De spanning verhogen of verlagen

c)

De weerstand verhogen of verlagen

d)

De kabels verhogen of verlagen

15.

Wat geeft dit symbool weer?

a)

Een spanningsmeter

b)

Een stroommeter

c)

Een weerstandsmeter

d)

Een multimeter

16.

Wat geeft dit symbool weer?

a)

Een spanningsmeter

b)

Een ampèremeter

c)

Een multimeter

d)

Een weerstandsmeter

17.

Wat geeft dit symbool weer?

a)

Een motor

b)

Een Bel/Zoemer

c)

Een Weerstand

d)

Een schakelaar

18.

Welke schakelsymbolen zijn hier zichtbaar?

a)

Lamp

b)

Schakelaar

c)

Batterij

d)

Stopcontact

19.

Wat voor soort schakeling is dit?

a)

Een serieschakeling

b)

Een parallelschakeling

20.

Welke beweringen zijn waar als het gaat om een serieschakeling.

a)

De spanning is overal hetzelfde

b)

De spanning is verdeeld over de onderdelen

c)

De stroomsterkte is overal hetzelfde

d)

De stroomsterkte is verdeeld over de onderdelen

21.

Welke beweringen zijn waar als het gaat om een parallelschakeling.

a)

De spanning is overal hetzelfde

b)

De spanning is verdeeld over de onderdelen

c)

De stroomsterkte is overal hetzelfde

d)

De stroomsterkte is verdeeld over de onderdelen

22.

Wat is een isolator?

a)

Een stof wat goed geleid

b)

Een stof wat slecht geleid