wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BK1C KM1A PV OW LW ZN

Total questions: 40

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Een zelfstandig naamwoord is ...

a)

een woord voor mensen, dieren, planten, dingen en namen

b)

een woord dat zegt wat iets of iemand doet

2.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

3.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

4.

Benoem het onderstreepte woord.

J.K. Rowling is een beroemde schrijfster.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord.

J.K. Rowling is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

6.

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin?

In het huis aan de overkant van de straat woont een man met een hond.

a)

drie

b)

vier

c)

vijf

d)

zes

7.

Benoem het onderstreepte woord.

J.K. Rowling is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

8.

Hoeveel werkwoorden staan er in deze zin?

De postbode komt vroeg in de middag op een brommer de post bezorgen.

a)

één

b)

twee

c)

drie

d)

geen

9.

Hoeveel zelfstandig naamwoorden staan er in deze zin?

In het huis aan de overkant van de straat woont een man met een hond.

a)

drie

b)

vier

c)

vijf

d)

zes

10.

Een zelfstandig naamwoord is ...

a)

een woord voor mensen, dieren, planten, dingen, namen en begrippen.

b)

een doe-woord.

11.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

12.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

13.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

14.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

15.

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?

a)

vis

b)

kan

c)

de

d)

zwemmen

16.

Onderstreepte woorden zijn:

Erik heeft de buurvrouw een kopje thee gegeven.

a)

lidwoorden

b)

werkwoorden

c)

zelfstandig naamwoorden

17.

In welk rijtje staan alleen zelfstandig naamwoorden?

a)

landen, Leon, afvalberg, voorstel

b)

Maastricht, kassa, de, zolder

c)

vijver, een, schuurtje, wind

d)

jongen, school, het, leren

18.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden?

De man vroeg de weg aan de politieagent.

a)

man

b)

man, weg, politieagent

c)

man, weg, de

d)

vroeg, weg, politieagent

19.

Wat is ruzie voor soort woord?

De ruzie is weer begonnen.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

werkwoord

20.

Welk woord is een werkwoord?

a)

hond

b)

lopen

c)

de

d)

voor

21.

Welk woord is een werkwoord?

a)

de

b)

in

c)

school

d)

gaan

22.

Welke woorden zijn werkwoorden?

(meer antwoorden goed)

a)

zitten

b)

staan

c)

stoel

d)

slapen

23.

Wat is het werkwoord?

De man vroeg de weg aan de politieagent.

a)

man

b)

weg

c)

vroeg

d)

politieagent

24.

Wat zijn de zelfstandige naamwoorden?

De man vroeg de weg aan de politieagent.

a)

man

b)

man, weg, politieagent

c)

man, weg, de

d)

vroeg, weg, politieagent

25.

Hoeveel lidwoorden staan er in de zin?

De man vroeg de weg aan de politieagent.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

26.
Hoeveel lidwoorden zijn er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
27.
Over welk woordsoort gaat deze uitleg?
Je kunt er de, het of een voor zetten.
Je kunt het verkleinen (boom - boompje)
Het is een mens, dier of ding.
Over welke woordsoort heb ik het?
a)
werkwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
bijvoeglijk naamwoord
d)
aanwijzend voornaamwoord
28.
Benoem het gekleurde woord:
Vandaag zou Marie nog gaan klussen.
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
werkwoord
d)
bijvoeglijk naamwoord
29.
Benoem het gekleurde woord:
Die auto van mij is alweer naar de garage!
a)
zelfstandig naamwoord
b)
lidwoord
c)
persoonsvorm
d)
bijvoeglijk naamwoord
30.

Wat is de persoonsvorm?

Je kunt natuurlijk ook op tijd op je afspraak komen.

a)

Je

b)

kunt

c)

op tijd

d)

komen

31.

Wat is de persoonsvorm?

Ik vlieger het liefst op het strand.

a)

ik

b)

vlieger

c)

het liefst

d)

op het strand

32.

Wat is het onderwerp?

Morgen komen de nieuwe bewoners kennismaken.

a)

Morgen

b)

komen

c)

de nieuwe bewoners

d)

kennismaken

33.

Wat is het onderwerp?

Julian ontvangt van mijn zusje haar felicitaties.

a)

Julian

b)

ontvangt

c)

van mijn zusje

d)

haar felicitaties

34.

Wat is het onderwerp?

Mensen zoeken een oplossing.

a)

Mensen

b)

zoeken

c)

een

d)

oplossing

35.

Morgen vertel ik jullie de afloop van het verhaal.

Wat is de persoonsvorm?

a)

Morgen

b)

vertel

c)

afloop

d)

de afloop van het verhaal

36.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.

Wat is het onderwerp?

a)

De atleet

b)

gaf op

c)

gaf

d)

na twintig kilometer

37.

Wat is het onderwerp ?


Wij vertrekken binnenkort naar Durbuy.

(a)  

38.

Wat is de persoonsvorm ?


Wij vertrekken binnenkort naar Durbuy.

(a)  

39.

Wat is het onderwerp ?


's Morgens nemen de kinderen de trein.

(a)  

40.

Wat is de persoonsvorm ?


's Morgens nemen de kinderen de trein.

(a)