wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K3A leestekens en tt en vt

Total questions: 48

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

“Het (worden) je vanzelf wel duidelijk”, zei de directeur tegen mij.

a)

word

b)

wort

c)

wordt

2.

De minister (melden) vorig kwartaal nog dat alles leek mee te vallen.

a)

melde

b)

meldde

3.

Hoeveel dat allemaal moest (kosten), was gisteren nog niet bekend.

a)

kosten

b)

kostten

4.

Er worden meestal pas maatregelen genomen als er iets ergs (gebeuren).

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

5.

De vrouw riep boos uit : "Bah ik lust geen komkommersoep!"

a)

Achter Bah moet een komma.

b)

Het uitroepteken moet vervangen worden door een punt.

c)

De dubbele punt achter boos moet vervangen worden door een komma.

d)

Achter lust moet een komma.

6.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

7.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

8.

"Wie heeft die prop in de hoek gegooid," vroeg de juf.

a)

Achter juf moeten aanhalingstekens.

b)

Achter vroeg moet een komma.

c)

Achter gegooid moet een vraagteken.

d)

Achter juf moet een vraagteken.

9.

Piet zei "Je krijgt geen cadeautjes dit jaar."

a)

Achter cadeautjes moet een komma.

b)

Achter zei moet een komma.

c)

Achter zei moet een dubbele punt.

d)

Er moeten geen aanhalingsteken in de zin.

10.

Ik liep naar buiten, en riep, dat iedereen naar binnen moest komen.

a)

Alle komma's staan goed.

b)

De komma voor het woordje en moet worden weggelaten.

c)

De komma achter riep moet weggelaten worden.

11.

"Maak je veter vast!" zei Jan. Je valt straks op je neus.

a)

De punt achter Jan moet veranderd worden in een dubbele punt.

b)

Het uitroepteken achter vast moet weg.

c)

- Je valt straks op je neus- moet tussen aanhalingstekens.

12.

"Goedemorgen," zei de bakker, wilt u mijn lekkere taart proeven?

a)

In deze zin moet geen vraagteken.

b)

De aanhalingstekens bij goedemorgen moeten weg.

c)

De komma achter goedemorgen moet weg.

d)

-wilt u mijn lekkere taart proeven?- moet tussen aanhalingstekens.

13.

In de dierentuin zagen wij de volgende dieren paarden, olifanten, leeuwen en tijgers.

a)

De komma's moeten weg.

b)

Achter dierentuin moet een dubbele punt

c)

Achter dieren moet een dubbele punt.

d)

Paarden, olifanten, leeuwen en tijgers moet tussen aanhalingstekens.

14.

Karin zegt: " ik vind, dat je een mooie trui aan hebt."

a)

De punt bij hebt moet achter het aanhalingsteken.

b)

De komma achter vind kan weggelaten worden.

c)

Er moet een uitroepteken achter hebt.

d)

Ik moet met een hoofdletter.

15.

Ze belde naar haar oma. (Zet de zin om in de andere tijd.)

(a)  

16.

De zon schijnt de hele dag. (Zet de zin om in de andere tijd)

(a)  

17.

De piraten hebben het schip ... (veroveren).

a)

Verovert

b)

Veroverd

c)

Veroverdt

18.

Papa ... (besturen) nu de auto.

a)

Bestuurt

b)

Bestuurd

c)

Bestuurdt

19.

Hij ... (worden) daar niet blij van.

a)

Wort

b)

Word

c)

Wordt

20.

Die bus ... (vervoeren) alleen scholieren.

a)

Vervoert

b)

Vervoerd

c)

Vervoerdt

21.

Hij heeft gisteren zijn vinger ... (verbranden).

a)

Verbrant

b)

Verbrandt

c)

Verbrand

22.

Hij ... (verdienen) niks want hij werkt niet.

a)

Verdient

b)

Verdiend

c)

Verdiendt

23.

De minister (melden) vorig kwartaal nog dat alles leek mee te vallen.

(a)  

24.

In de afgelopen maanden is de schuld helaas sterk (groeien).

(a)  

25.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
’S nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
b)
's nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
c)
's Nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
d)
'S Nachts naar de sterren kijken is heel leerrijk.
26.

Wat is correct? Meerdere antwoorden zijn juist.

a)

Mijn verjaardag is op 2 mei.

b)

Mijn verjaardag is op 2 Mei.

c)

Mijn verjaardag is in de lente.

d)

Mijn verjaardag is in de Lente.

27.

Welke namen zijn juist geschreven? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Mevrouw van der Berg

b)

Mevrouw Van der Berg

c)

Mevrouw J. van der Berg

d)

Mevrouw J. Van der Berg

28.
De trouwstoet (begeven t.t.) zich naar het stadhuis.
a)
begaf
b)
begeeft
c)
begeven
d)
begeef
29.
Jij... lekkere koekjes.
a)
bakt
b)
bak
30.
Wat is de juiste schrijfwijze?
a)
in de vakantie gaan lien en ik skiën in de franse alpen.
b)
In de Vakantie gaan Lien en ik skiën in de Franse Alpen.
c)
In de vakantie gaan Lien en ik skiën in de Franse Alpen.
d)
In de vakantie gaan Lien en ik skiën in de franse alpen.
31.

Vroeger (reizen vt) (a)   de mensen met een paardenkar

32.

Ik (spelen vt) (a)   gisteren op zolder

33.

Jullie (schaatsen vt) (a)   vorig jaar vaak op de sloot.

34.

Monique (vertellen vt) (a)   gisteren een geheim.

35.

Schrijf de stam van het werkwoord : fietsen

(a)  

36.

Schrijf de stam van het werkwoord : rennen

(a)  

37.

Schrijf de stam van het werkwoord : horen

(a)  

38.

Schrijf de stam van het werkwoord : gaan

(a)  

39.

Schrijf de stam van het werkwoord : schrijven

(a)  

40.

Schrijf de stam van het werkwoord : vallen

(a)  

41.

Schrijf de stam van het werkwoord : wissen

(a)  

42.

Schrijf de stam van het werkwoord : maken

(a)  

43.

Wanneer gebruik je de medeklinkers van ’t ex-fokschaap?

a)

bij de pv tt van sterke werkwoorden

b)

bij de pv tt van zwakke werkwoorden

c)

bij de pv vt van sterke werkwoorden

d)

bij de pv vt van zwakke werkwoorden

44.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij liep naar de auto.

a)

Zwak werkwoord

b)

Sterk werkwoord

45.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij zwom in de sloot.

a)

Zwak werkwoord

b)

Sterk werkwoord

46.

Juist of onjuist? Om te bepalen of een zwak werkwoord op -te(n) of -de(n) eindigt, kijk je naar de klinkers in 't Ex-kofschip

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Wat is het verschil tussen zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd?

a)

Bij zwakke werkwoorden verandert de klank en bij sterke werkwoorden niet.

b)

Bij sterke werkwoorden verandert de klank en bij zwakke werkwoorden niet.

48.
Hoe herken je een sterk werkwoord?
a)
Een sterk ww heeft klinkerverandering.
b)
Een sterk ww heeft geen klinkerverandering.
c)
Een sterk ww eindigt op -en.
d)
Een sterk ww heeft medeklinkerverandering.