Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

EIWITTEN

Total questions: 20

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Welk van de volgende functies is GEEN functie van eiwitten

a)

bouwstenen van spierweefsel en haar

b)

vervoer van stoffen zoals CO2 en O2

c)

afweer tegen lichaamsvreemde stoffen

d)

Isolatie tegen de koude

2.

Wat is de naam van dit type binding ?

a)

Esterbinding

b)

Peptidebindig

c)

Keto-aminebinding

d)

Etherbinding

3.

Wanneer je deze binding breekt, van welk type reactie spreken we dan ?

(a)  

4.

Welke stof heb je (naast enzymen) nodig om deze binding te breken ?

a)

water

b)

zuurstof

c)

stikstof

d)

waterstof

5.

Wanneer een eiwit zijn vorm verliest, kan het zijn functie niet meer uitoefenen. We spreken dan van (a)  

6.

We kunnen de vorm van een eiwit op verschillende manier veranderen. Op welke wijze lukt het NIET ?

a)

Zuur toevoegen

b)

Base toevoegen

c)

Temperatuur verhogen

d)

temperatuur verlagen

7.

Tussen de aminozuren van een eiwit kunnen er interacties ontstaan, waardoor er speciale structuren ontstaan zoals spiralen en vouwbladen. Hoe noemen we dit niveau van structuur ?

a)

Tertiaire structuur

b)

Primaire structuur

c)

Secundaire structuur

d)

kwaternaire structuur

8.

Op de tekening zie je een .......

a)

aminozuur

b)

dipeptide

c)

tripetide

d)

oligopeptide

e)

polypetide

9.

Eiwitten zijn niet altijd makkelijk oplosbaar in water. Hoe kan je zien aan de structuur of een eiwit oplosbaar is of niet ?

a)

polariteit van de amine-groep

b)

polariteit van de zuurgroep

c)

polariteit van de staart (hier CH3)

d)

polariteit van het oplosmiddel

10.

Op de tekening zie je isoleucine. Is dit aminozuur goed oplosbaar of niet ?

a)

JA

b)

NEEN

c)

NIET TE BEPALEN

11.

Enzymen zijn bijzondere eiwitten. Wat doen ze bij chemische reacties ?

a)

Ze verlagen de zuurtegraad

b)

Ze verhogen de temperatuur

c)

Activeringsenergie verhogen

d)

Activeringsenergie verlagen

12.

Een enzym bevat naast een eiwit-gedeelte ook een ander, niet-eiwit gedeelte. Hoe noemen we dit stuk van het enzym ?

a)

apo-enzym

b)

co-factor

c)

substraat

d)

actieve centrum

13.

Hoe noemen we de stof waarop het enzym zal inwerken ?

a)

substraat

b)

co-factor

c)

apo-enzym

d)

product

14.

Hoe noemen we de plaats waar het substraat bindt aan het enzym ?

a)

Centrale centrum

b)

Hechtingscentrum

c)

Actieve centrum

d)

enzymatisch centrum

15.

Elk enzym kan slechts reageren met één soort substraat. Hoe noemen we dat fenomeen ?

a)

Factorspecificiteit

b)

Productspecificiteit

c)

Enzymspecificiteit

d)

Substraatspecificiteit

16.

Hoe noemen we deze tekening ?

a)

specificiteitscomplex

b)

activiteitscomplex

c)

enzym-substraat-complex

d)

een chemische reactie

17.

Welk enzym hebben we nodig om "melksuiker" af te breken ?

a)

amylase

b)

lactase

c)

maltase

d)

sacharase

18.

Als het enzym "dipeptidase" zijn werking gedaan heeft, wat zijn dan de eindproducten ?

a)

glucose

b)

glycerol en vetzuren

c)

dipeptiden

d)

aminozuren

19.

In deze grafiek zie je dat de reactiesnelheid van een enzym afhankelijk is van de ....................

a)

substraatconcentratie

b)

enzymconcentratie

c)

temperatuur

d)

zuurtegraad

20.

Enzymen zijn "biokatalysatoren". Waarom kunnen we zeggen dat ze "bio" zijn ?

a)

ze groeien in de grond

b)

we maken ze zelf aan

c)

het zit in fruit en groenten

d)

ze zijn lekker