wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Executieve functies

Total questions: 20

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Executieve functies zijn manieren waarop je je doelgericht en efficiënt eigen gedrag stuurt

a)

Waar

b)

Niet Waar

2.

Executieve functies staan op zichzelf, ze hebben geen invloed op elkaar

a)

Waar

b)

Niet Waar

3.

Vul het juiste woord in:

Executieve functies sturen het …. en het gedrag aan. Ze zijn de hele dag nodig, maar vooral bij het aanleren van nieuwe dingen

a)

Cognitief vermogen

b)

Metacognitief vermogen

c)

Leren

d)

geen van bovenstaande antwoorden is waar

4.

Je hebt 2 verschillende soorten executieve functies; executieve functies die te maken hebben met cognitieve denkprocessen en executieve functies die te maken hebben met gedrag

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Welke executieve functie wordt er beschreven:

Je brein met moet zich richten op 1 bepaalde prikkel waarbij hij alle overige prikkels moet uitsluiten. Je moet dit voor langere tijd kunnen volhouden.

a)

Inhibitie

b)

Metacognitie

c)

Werkgeheugen

d)

Aandacht

6.

Welke executieve functie wordt er beschreven:

Nadenken voordat je iets doet en je reactie kunnen uitstellen of tegenhouden

a)

Emotieregulatie

b)

Flexibiliteit

c)

Inhibitie

d)

Planning

7.

Welke executieve functie wordt er beschreven:

De mogelijkheid om een stapje terug te doen om je eigen handelen en de situatie te overzien

a)

Organisatie

b)

Werkgeheugen

c)

Metacognitie

d)

Taakinitiatie

8.

Welke uitspraak over de executieve functie is juist?

a)

De verschillende executieve functies ontwikkelen zich niet met dezelfde snelheid

b)

Zwakke executieve functies gaan altijd samen met een gedragsstoornis

c)

De executieve functies liggen vast je kunt ze moeilijk versterken

d)

Onderzoek wijst unaniem uit dat de executieve functies samenhangen met intelligentie

9.

Welke executieve functie vormt de basis voor de andere executieve functies:

a)

Werkgeheugen

b)

Inhibitie

c)

Cognitieve flexibiliteit

d)

Metacognitie

10.

Zwakke executieve functies komen onder andere voor bij mensen met ADHD. Welke bewering is onjuist?

a)

Leerlingen met ADHD zijn minder gevoelig voor dopamine wat vrij komt bij een leuke of interessante gebeurtenis

b)

Leerlingen met ADHD kunnen hun impulsen minder goed beheersen

c)

Voor leerlingen met ADHD niet mogelijk om zich ergens volledig op te focussen vanwege hun moeite met het vasthouden van aandacht


11.

Het ontwikkelproces van executieve functies en interventies verloopt:

a)

Naast elkaar: de omgeving wordt aangepast en de leerling moet op hetzelfde momoment zich de vaardigheden eigen maken

b)

Van binnen naar buiten: de leerling moet zich de vaardigheden eerst eigen maken en vervolgens wordt de omgeving aangepast

c)

Van buiten naar binnen: eerst wordt de omgeving van de leerling aangepast zodat de leerling vervolgens zich de vaardigheden eigen kan maken


12.

Bram is een leerling die zich moeilijk kan focussen op een taak.

Welke interventie is niet geschikt?

a)

Maak gebruik van opwarm oefeningen ter voorbereiding op een taak

b)

Geef moeilijke taken het liefst op het einde van de dag

c)

Deel een grotere taak op in deel taken.

13.

Kunnen schakelen tussen verschillende taken, om kunnen gaan met veranderingen en tegenslag en plannen kunnen herzien en aanpassen. Regels kunnen toepassen in verschillende situaties. We hebben het hier over:

a)

Planning

b)

Flexibiliteit

c)

Doelgericht

d)

Emotieregulatie

14.

Mogelijkheid om systemen te ontwikkelen en onderhouden om op de hoogte te blijven van informatie en de benodigde materialen. We hebben het hier over:

a)

Organisatie

b)

Werkgeheugen

c)

Timemanagement

d)

Taakinitiatie

15.

Welke executieve functie heeft de leerling nodig:

Leerling geeft snel antwoord en wijzigt dit vervolgens

a)

Inhibitie

b)

Emotieregulatie

c)

Timemanagement

d)

Flexibiliteit

16.

Welke executieve functie heeft de leerling nodig:

Leerling is snel overstuur door veranderingen in plannen, onderbrekingen etc.

a)

Metacognitie

b)

Emotieregulatie

c)

Inhibitie

d)

Flexibiliteit

17.

Welke executieve functie heeft de leerling nodig:

De leerling raakt spullen kwijt

a)

Planning

b)

Werkgeheugen

c)

Organisatie

d)

Metacognitie

18.

Welke executieve functie heeft de leerling nodig:

De leerling verliest snel geduld en reageert overdreven druk of ongerust

a)

Emotieregulatie

b)

Inhibitie

c)

Aandacht

d)

Flexibiliteit

19.


De leerling raak snel gefrustreerd als iets mij niet lukt, welke executive functie kan hem helpen?


a)

Aandacht

b)

Emotieregulatie

c)

Organisatie

d)

Flexibiliteit

20.

Welke executieve functie moet je kunnen beheersen, als je je huiswerk zonder afleiding kunt maken?

a)

Emotieregulatie

b)

Aandacht

c)

Doorzettingsvermogen

d)

Organisatie