wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K3A stam wwspelling sterke en zwakke ww

Total questions: 42

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Hoe schrijf je de stam van een werkwoord?

a)

ik-vorm

b)

hele werkwoord -en

c)

hele werkwoord +en

d)

geen van deze drie

2.

Verleden tijd


Gisteren (plukken) ............. ik de appels.

a)

plokte

b)

plukde

c)

pluktte

d)

plukte

3.

Verleden tijd


Toen (ontpitten) .......... ik ze vakkundig.

a)

ontpite

b)

ontpitte

c)

ontpitten

d)

ontpit

4.

Verleden tijd


De smaak (verrassen) ..... me heel erg.

a)

verraste

b)

verraste

c)

verrastte

d)

verrasste

5.

Verleden tijd


Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.

a)

durvde

b)

durfte

c)

durfden

d)

durfde

6.

Verleden tijd


Het meisje (beantwoorden) ... die vraag ontzetten snel.

a)

beantwoorden

b)

beantwoordden

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

7.

(missen)

Ik ........ mijn trein en kwam te laat

a)

mistte

b)

miste

c)

misde

d)

mis

8.
Welk hulpmiddel kun je gebruiken in de verleden en voltooide tijd?
a)
't kofschipx
b)
smurfen/lopen
9.
Thea is (verhuizen) naar Zwolle
a)
verhuist
b)
verhuisd
c)
verhuizt
d)
verhuizd
10.
Ik (vinden) dat een leuke leerling. 
a)
vind
b)
vindt
11.
(Houden) jij ook van KFC?
a)
Houd
b)
Houdt
12.
Vorige week (mailen) ik mijn vriendin in Amerika. 
a)
mailte
b)
mailde
c)
mailten
d)
mailden
13.
Die chauffeur (rijden) nooit te hard. 
a)
rijd
b)
rijdt
14.
De schilder (verven) vorige week het huis aan de buitenkant. 
a)
verfte
b)
verfde
c)
vervte
d)
vervde
15.

De gletsjer op de Mount Everest (ontdooien) in snel tempo.

a)

ontdooit

b)

ontdooid

c)

ontdooidt

d)

ontdooitd

16.

Gisteren (zijn) ik ziek.

a)

is

b)

ben

c)

was

d)

waren

17.

Wij (slapen) in de les.

a)

slaap

b)

sliep

c)

slapen

d)

sliepen

18.

Wat is de stam van 'pakken'?

a)

pak

b)

pakke

c)

pakk

d)

pakt

19.

Wat is de stam van 'bewijzen'?

a)

bewijs

b)

bewijze

c)

bewijst

d)

bewijz

20.

Welke stam is fout geschreven?

a)

halen-hal

b)

smoezen-smoez

c)

lezen-lez

d)

zwemmen-zwem

21.

Welke stam is fout geschreven?

a)

slapen-slap

b)

beroven-beroov

c)

leven-lev

d)

raken-rak

22.

Welke stam is ook de ik-vorm?

a)

leven-lev

b)

kammen-kamm

c)

roepen-roep

d)

niezen-niez

23.

Wat is de stam van krabben?

a)

krab

b)

krabb

c)

kraab

d)

krabde

24.

Wat is de stam van 'gniffelen'?

a)

gniffel

b)

gnifel

c)

gniffelt

d)

gniffeld

25.

Wat is de ik-vorm van 'reizen'?

a)

reiz

b)

reisde

c)

reis

d)

reist

26.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij liep naar de auto.

a)

Zwak werkwoord

b)

Sterk werkwoord

27.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij zwom in de sloot.

a)

Zwak werkwoord

b)

Sterk werkwoord

28.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij bakt gebakjes.

a)

Sterk werkwoord

b)

Zwak werkwoord

29.

Juist of onjuist? Om te bepalen of een zwak werkwoord op -te(n) of -de(n) eindigt, kijk je naar de klinkers in 't Ex-kofschip

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Geef de juiste vervoeging in de verleden tijd ik-vorm van het werkwoord bijten.

a)

Ik bijtte

b)

Ik bijte

c)

Ik beet

31.

Wat is het verschil tussen zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd?

a)

Bij zwakke werkwoorden verandert de klank en bij sterke werkwoorden niet.

b)

Bij sterke werkwoorden verandert de klank en bij zwakke werkwoorden niet.

32.

Geef aan welke vervoeging in de verleden tijd juist is.

a)

Wij speeldden

b)

Wij speelden

33.

Geef aan welke vervoeging in de verleden tijd juist is.

a)

Zij raaden

b)

Zij raden

c)

Zij raadden

34.

de kikker (springen) .... in de sloot en (glijden) ... uit (vt)

a)

sprongde, gleedde

b)

sprong, gleed

c)

springde, glood

d)

spring, glijdde

35.

hij (willen) .... graag naar een pretpark maar dat (vinden) .... zijn moeder niet zo goed idee (tt)

a)

wilt, vindt

b)

wildt, vind

c)

wil, vond

36.

Vorige week (zijn) ... ik in de stad en (kopen) ... ik spullen (vt)

a)

is, kopen

b)

was, koopte

c)

was, kocht

d)

zijn, kocht

37.

Wanneer gebruik je de medeklinkers van ’t ex-fokschaap?

a)

bij de pv tt van sterke werkwoorden

b)

bij de pv tt van zwakke werkwoorden

c)

bij de pv vt van sterke werkwoorden

d)

bij de pv vt van zwakke werkwoorden

38.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

39.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

(braden) .............. jij alvast de hamburgers?

a)

braai

b)

braadt

c)

braad

d)

berad

40.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

41.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

De arts (verbinden) ............ zijn knie.

a)

verbindt

b)

verbint

c)

verbond

d)

verbind

42.

Zij beantwoor... alle vragen op de juiste manier.

a)

beantwoordt

b)

beantwoord

c)

beantwoort