wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ak thema 4 oefentoets

Total questions: 27

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Dit deel van de aardbol is hard en ontzettend heet.

a)

aardkorst

b)

aardmantel

c)

aardkern

d)

stromend magma

2.

Dit deel van de aardbol kun je vergelijken met het vruchtvlees van een perzik.

a)

aardkorst

b)

aardmantel

c)

aardkern

d)

stromend magma

3.

Als je de aarde vergelijkt met een ei, kun je de aardkorst het best vergelijken met …

a)

de dooier (het eigeel)

b)

het eiwit

c)

de dop

d)

het velletje tussen de dooier en het eiwit

4.

Aardplaten zijn een onderdeel van …

a)

de aardkorst

b)

de aardmantel

c)

de aardkern

d)

het stromend magma

5.

Het epicentrum is …

a)

het hete middelpunt van de aarde

b)

de plaats waar aardplaten onder elkaar schuiven

c)

de plaats aan het aardoppervlak waar een aardbeving het sterkst is

d)

de plaats waar apparaten staan om aardbevingen te meten

6.

Er ontstaat een hoog gebergte als platen …

a)

tegen elkaar duwen

b)

uit elkaar schuiven

c)

langs elkaar schuiven

d)

onder elkaar schuiven

7.

Een trog ontstaat als aardplaten …

a)

tegen elkaar duwen

b)

uit elkaar schuiven

c)

langs elkaar schuiven

d)

onder elkaar schuiven

8.

Mid-oceanische ruggen ontstaan als aardplaten …

a)

tegen elkaar duwen

b)

uit elkaar schuiven

c)

langs elkaar schuiven

d)

onder elkaar schuiven

9.

Wat is het verschil tussen lava en magma?

a)

Magma zit in de aarde, lava stroomt naar buiten.

b)

Magma is kouder dan lava.

c)

Magma is vloeibaar en lava is altijd vast.

d)

Er is geen verschil, het is precies hetzelfde.

10.

Waarom komen er in Nederland bijna geen aardbevingen voor?

a)

Nederland ligt niet aan een oceaan.

b)

In Nederland schuiven geen grote platen langs elkaar

c)

In Nederland schuiven platen uit elkaar.

d)

Nederland heeft een goed systeem om aardbevingen te voorkomen.

11.

Wat hoort niet bij de Romeinse stad die in 1738 onder een dikke aslaag in Italië werd gevonden?

a)

Pompeii

b)

Etna

c)

79 n.Chr.

d)

De schrijver Plinius

12.

Waar komen veel vulkanen voor?

a)

Bij platen die uit elkaar schuiven en platen die langs elkaar schuiven.

b)

Bij platen die uit elkaar schuiven en platen die botsen.

c)

Bij platen die botsen en platen die onder elkaar schuiven

d)

Bij platen die uit elkaar gaan en platen die onder elkaar schuiven.

13.

Stelling 1: Een stratovulkaan is vlakker dan een schildvulkaan.


Stelling 2: Een mid-oceanische rug bestaat uit allemaal stratovulkanen

a)

Stelling 1 is juist,

stelling 2 is onjuist.

b)

Stelling 1 is onjuist,

stelling 2 is juist.

c)

Stelling 1 en 2 zijn beide juist.

d)

Stelling 1 en 2 zijn beide onjuist.

14.

Zet de oorzaken van overstromingen in Afrika in de juiste volgorde.

A Regen valt op kale akkers, zakt niet in de grond en spoelt sneller in de rivier.

B Bomen worden gekapt om nieuwe akkers aan te leggen.

C De bevolking in Afrika groeit.

D Rivieren kunnen al dat water niet afvoeren en overstromen

a)

A -B -C -D

b)

B -C -A -D

c)

C- B -A -D

d)

D -B -A -C

15.

Wat helpt mensen die al aids hebben?

a)

aidsremmers

b)

condooms

c)

voorlichting

d)

aidstest

16.

Wat zijn oorzaken van aids in Afrika?

Er zijn meerdere antwoorden goed

a)

Mensen weten te weinig over aids.

b)

Mensen kunnen geen condooms betalen.

c)

Aidstests zijn te duur.

d)

Er zijn geen condooms te koop in Afrika.

17.

Welke bewering is niet juist?

a)

Aids wordt veroorzaakt door het hiv-virus.

b)

In Afrika komt aids meer voor dan op andere continenten.

c)

Armoede is de belangrijkste oorzaak van het aidsprobleem in Afrika

d)

Aids komt alleen bij volwassenen voor

18.

Wat is geen culturele oorzaak van de aidsepidemie in Afrika?

a)

Er wordt niet over aids gesproken.

b)

Mensen durven niet te vertellen dat ze besmet zijn.

c)

Mannen hebben vaak onbeschermde seks met andere vrouwen dan hun eigen vrouw en geven zo het hiv-virus door.

d)

Aidstests zijn te duur.

19.

Wat is geen direct gevolg van de aidsepidemie in Afrika?

a)

hongersnood

b)

Veel kinderen worden wees en kunnen niet meer naar school

c)

Er zijn te weinig geschoolde mensen die kunnen werken.

d)

Er is niet genoeg geld voor zorg en onderwijs; hierdoor kan aids zich snel verspreiden.

20.

Zijn de volgende uitspraken goed of fout? 2 aanklikken

a)

Veel Afrikaanse landen hebben een sterke regering. goed

b)

Veel Afrikaanse landen hebben een sterke regering. fout

c)

In een land met een sterke regering is de kans groot dat bendes proberen de macht te grijpen. goed

d)

In een land met een sterke regering is de kans groot dat bendes proberen de macht te grijpen. fout

21.

Zijn de volgende uitspraken goed of fout? 2 aanklikken

a)

De bevolking in veel Afrikaanse landen groeit snel. goed

b)

De bevolking in veel Afrikaanse landen groeit snel. fout

c)

In Afrika is genoeg vruchtbaar land om voldoende voedsel te produceren. goed

d)

In Afrika is genoeg vruchtbaar land om voldoende voedsel te produceren. fout

22.

Wanneer vond de burgeroorlog in Rwanda plaats?

a)

begin jaren vijftig van de vorige eeuw

b)

begin jaren zestig van de vorige eeuw

c)

begin jaren zeventig van de vorige eeuw

d)

begin jaren tachtig van de vorige eeuw

23.

Wat was een oorzaak van de burgeroorlog in Rwanda?

a)

de strijd tussen twee bevolkingsgroepen: de Hutu's en de Tutsi's

b)

de oorlog met buurland Tanzania

c)

het streven van Rwanda naar onafhankelijkheid

d)

de oorlog met buurland Burundi

24.

Welke situatie deed zich niet voor in Rwanda?

a)

De bevolking in Rwanda groeide heel hard.

b)

Er was weinig landbouwgrond.

c)

Voor veel geld kochten mensen stukken landbouwgrond.

d)

De namen Hutu en Tutsi mochten niet langer worden gebruikt.

25.

Met welk probleem kampen ex-kindsoldaten? meerdere antwoorden

a)

Ze kunnen niet terug naar hun familie.

b)

Ze komen in de criminaliteit terecht.

c)

Ze zijn bang en hebben nachtmerries.

d)

Ze willen geen opleiding volgen.

26.

Wat is geen oorzaak van rampen in Afrika?

a)

armoede

b)

zwakke regering

c)

klimaat

d)

aardbevingen

27.

Wat hoort niet bij noodhulp?

a)

uitdelen van voedsel en drinkwater

b)

stevige huizen bouwen die niet snel instorten

c)

uitdelen van medicijnen

d)

opzetten van tenten