wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Sociale zekerheid en verzorgingsstaat paragraaf 2.1 en 2.2

Total questions: 28

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de sociale kwestie?

a)

Het drankprobleem van veel arbeiders

b)

De vraag of arbeiders wel of geen rechten moesten krijgen

c)

Het probleem van de fabrieksdirecteuren om genoeg personeel te vinden

d)

Het probleem van de slechte leef en werkomstandigheden van arbeiders

2.

Wat is een sociale wet?

a)

Een wet die de omstandigheden van vrouwen verbetert

b)

Een wet die de omstandigheden van rijke mensen verbetert

c)

wetten die de gevolgen van armoede, ziekte, ouderdom en werkloosheid bestrijden

d)

Een wet die kinderen verplicht om naar school te gaan

3.

Wat is een vakbond?

a)

Een school waar je een vak kan leren

b)

Een cursus om beter te worden in je werk

c)

Een vereniging die opkomt voor de belangen van werknemers met een bepaald beroep

d)

Een vereniging die fabriekseigenaren helpt om hun fabriek veiliger te maken

4.

In 1874 schrijft Samuel van Houten het Kinderwetje. Daar staat in dat:

a)

Kinderen niet meer in fabrieken en werkplaatsen mogen werken

b)

Kinderen tot 12 jaar leerplichtig zijn

c)

Vrouwen niet meer dan 4 kinderen mogen krijgen

d)

Kinderen alleen veilig werk mogen doen

5.

Wat betekende het kinderwetje van Van Houten voor de kinderen?

a)

Ze gingen eindelijk naar school

b)

Ze mochten stoppen met werken, behalve in de landbouw

c)

Helemaal niets! Het verbod werd namelijk niet gecontroleerd

d)

Kinderen gingen nu thuis het huishouden doen.

6.

Waarom werden steeds meer arbeiders lid van een vakbond?

a)

Ze betaalden het loon van de arbeiders door bij een staking

b)

Dat was het advies van de fabrieksdirecteur

c)

Als arbeider alleen bereikte je niet veel, maar een vakbond had meer macht.

d)

Als je niet lid was van een vakbond werd je ontslagen

7.

Waarom waren de fabrieksdirecteuren niet blij met de sociale wetten? Kier er twee

a)

De wetten waren ingewikkeld om te lezen

b)

Ze moesten ineens rekening houden met de veiligheid van hun personeel

c)

Arbeiders mochten niet meer zo lang werken zonder rust

d)

Er mochten minder arbeiders in de fabriek werken

8.

Waarom waren mensen in de stad vaak veel slechter af dan op het platteland?

a)

ze hadden vaker geen huis

b)

ze verbouwden zelf geen eten, dus konden niks voor zichzelf regelen als er geen eten was.

c)

ze hadden minder contact met hun buren

d)

door de smerige omstandigheden in de stad was de kans op ziekten veel groter.

e)

het eten in de stad was eenzijdig; mensen aten vaak alleen aardappelen of brood.

9.

Welk begrip hoort bij deze uitleg?

mensen helpen die onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen

(a)  

10.

In welk jaar kwam deze wet?

Leerplichtwet

(a)  

11.

In welk jaar kwam deze wet?

Woningwet

(a)  

12.

In welk jaar kwam deze wet?

Kinderwetje van Van Houten

(a)  

13.

Welke politieke groep hoort bij de volgende uitspraak?

Als je arm bent is dat Gods wil. Dat moet je accepteren. Trouwens, de kerken zorgen voor de armen, dus dat hoeft de politiek niet te doen. Werkgevers zouden hun arbeiders vanuit christelijke waarden wel beter moeten behandelen.

(a)  

14.

Welke politieke groep hoort bij de volgende uitspraak?

Het is de plicht van de regering om de armen te helpen. We zijn immers allemaal mens, en dus gelijk. Die armoede is de schuld van de rijke fabrieksdirecteuren. Zij buiten arbeiders uit.

(a)  

15.

Welke politieke groep hoort bij de volgende uitspraak?

Ieder mens moet vrij zijn, en daarom zoveel mogelijk dingen zelf regelen. Het is niet de taak van de overheid om de ellende van mensen op te lossen.

(a)  

16.

Bij welke wet hoort deze omschrijving? Noem de wet en het jaartal dat de wet ingevoerd werd!

Huizen krijgen aparte keukens en slaapkamers, een kraan en een wc. De wc mag niet uitkomen in de keuken.

(a)  

17.

In welk jaar brak de crisis in de VS uit?

(a)  

18.

Wat is geen oorzaak van de economische crisis in de VS?

a)

Overproductie in de landbouw

b)

Mensen hadden met geleend geld aandelen gekocht. Toen de beurs instortte konden ze die leningen niet meer terug betalen

c)

De huizenprijzen en de huren schoten zo snel omhoog dat bijna niemand meer een huis kon betalen.

d)

Er was te weinig toezicht geweest op de banken. Zij hadden mensen veel te veel geld laten lenen.

19.

Waarom sloeg de crisis over naar Europa?

a)

Amerikanen kochten minder producten uit Europa

b)

Amerikanen stopten met investeren in Europa.

c)

Amerika sleepte Europa mee in de crisis

d)

Amerika wilde geld lenen

20.

Wat is steunverlening?

a)

Mensen die alle mensen hielp zonder geld

b)

Mensen die werklozen hielp

c)

Regeling die mensen hielp die buiten hun schuld werkloos raakten

d)

Regeling die voor steun voor armen zorgde

21.

Wat zijn de gevolgen van de crisis in Nederland? Er zijn meer antwoorden goed!

a)

Er werden minder kinderen geboren

b)

Nederlandse bedrijven konden hun producten niet meer verkopen

c)

De stad liep leeg. Mensen gingen weer op het platteland wonen

d)

Bedrijven konden hun leningen niet meer aflossen en gingen failliet. Werknemers verloren hun baan

e)

Het aantal werklozen lier enorm op. Het aantal armen nam enorm toe

22.

Waar of niet waar:

Als je steun kreeg van de overheid was dat evenveel als je normale loon

a)

waar

b)

niet waar

23.

Waar of niet waar:

Als je steun ontving moest je twee keer per dag (op steeds verschillende tijden) een stempel halen op een stempelkantoor zodat je niet zwart kon werken.

a)

waar

b)

niet waar

24.

Waar of niet waar: als je niet kwam stempelen, of je kwam te laat, dan raakte je de steun kwijt.

a)

waar

b)

niet waar

25.

De Afsluitdijk en het Amsterdamse Bos zijn voorbeelden van dit begrip:

(a)  

26.

Welke omschrijving hoort bij het begrip 'werkverschaffing'?

a)

Moeten werken voor de overheid in ruil voor steun

b)

Vrijwilligerswerk voor de overheid

c)

Een nieuwe baan voor werklozen

d)

Gezond werk in de buitenlucht voor een redelijk salaris

27.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving: uitdeelpunten waar arme mensen eten konden krijgen

(a)  

28.

Vanaf welk jaar hadden mensen met minimaal 3 kinderen recht op kinderbijslag?

(a)