Font size
WorksheetsKlas 3 Duits* Adjektive naamvallen
Total questions: 34
Worksheet time: 12mins
Bijvoeglijke naamwoorden in het Duits kennen niet één groep, maar (a) groepen
De groep waarbij een bepaald lidwoord voor het bijvoeglijk naamwoord staat, noem je de (a) - Gruppe
De groep waarbij een onbepaald lidwoord voor het bijvoeglijk naamwoord staat, noem je de (a) - Gruppe
De groep waarbij geen lidwoord voor het bijvoeglijk naamwoord staat, noem je de (a) Gruppe
Welke goep is dat: "Liebe Katrin"
der Gruppe
ein Gruppe
Null Gruppe
Welke goep is dat: "Guten Tag!"
der Gruppe
ein Gruppe
Null Gruppe
Bij de Null-Gruppe staat geen (a) voor het bijvoeglijk naamwoord.
Als het bijvoeglijk naamwoord niet voor een zelfstandig naamwoord staat, maar ergens anders in de zin (bijvoorbeeld aan het einde), dan krijgt het bijvoeglijk naamwoord geen (a)
Het bijvoeglijk naamwoord krijgt de uitgang -e in de volgende situaties:
vooral bij vrouwelijke woorden
vooral bij mannelijke woorden
vooral bij onzijdige woorden
vooral in het meervoud
Bijvoeglijke naamwoorden in de 4e naamval mannelijk krijgen altijd de uitgang: (a)
Bijvoeglijke naamwoorden in de 1e naamval van de ein Gruppe mannelijk krijgen de uitgang: (a)
Bijvoeglijke naamwoorden in de 1e en 4e naamval van de ein Gruppe onzijdig krijgen altijd de uitgang: (a)
In het meervoud hebben alle bijvoeglijke naamwoorden (behalve in de Null-Gruppe) de uitgang: (a)
1e naamval mannelijk der-Gruppe: Das ist der (a) (nett) Mann
4e naamval mannelijk der-Gruppe: Ich kenne den (a) (nett) Mann
1e naamval vrouwelijk der-Gruppe: Das ist die (a) (nett) Frau
4e naamval vrouwelijk der-Gruppe: Ich kenne die (a) (nett) Frau
1e naamval onzijdig der-Gruppe: Das ist das (a) (nett) Kind
4e naamval onzijdig der-Gruppe: Ich kenne das (a) (nett) Kind
1e naamval meervoud der-Gruppe: Das sind die (a) (nett) Kinder
4e naamval meervoud der-Gruppe: Ich kennen die (a) (nett) Kinder
1e naamval meervoud Null-Gruppe: Das sind (a) (nett) Kinder
4e naamval meervoud Null-Gruppe: Ich kenne (a) (nett) Kinder
1e naamval mannelijk ein-Gruppe: Das ist ein (a) (nett) Mann
4e naamval mannelijk ein-Gruppe: Ich kenne einen (a) (nett) Mann
1e naamval vrouwelijk ein-Gruppe: Das ist eine (a) (nett) Frau
4e naamval vrouwelijk ein-Gruppe: Ich kenne eine (a) (nett) Frau
1e naamval onzijdig ein-Gruppe: Das ist ein (a) (nett) Kind
4e naamval onzijdig ein-Gruppe: Ich kenne ein (a) (nett) Kind
1e naamval meervoud ein-Gruppe: Das sind keine (a) (nett) Kinder
4e naamval meervoud ein-Gruppe: Ich kenne keine (a) (nett) Kinder
Welke goep is dat: "dieses schöne Wetter"
der Gruppe
ein Gruppe
Null Gruppe
Welke goep is dat: "seine blauen Augen"
der Gruppe
ein Gruppe
Null Gruppe
Welke goep is dat: "ihre grüne Bluse"
der Gruppe
ein Gruppe
Null Gruppe
