wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Architectuur TERMINOLOGIE - H/I (TEKST)

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Gewelf, gehalveerde koepel, boven een half—cirkelvormige ruimte, b.v. van een absis of nis.

(a)  

2.

Voor een muur of pijler geplaatste zuil met halfcirkelvormige doorsnede.

(a)  

3.

Langsgerichte kerkbouw, waarbij de zijschepen even hoog zijn als het middenschip en met deze meestal onder één overkapping liggen. Ook gebruikt voor die kerken, waarbij de gewelven niet even hoog zijn, maar wel van dezelfde steunpunten uit opstijgen. Tegenstelling: basiliek. Te vinden in romaniek van Zuid-Frankrijk en West-falen, in de Noordduitse late gotiek in Zuid—-Duitsland en ca. 1500 in het Erzgebergte. Ook in Nederland.

(a)  

4.

De late tijd van de Griekse oudheid, vooral in de koloniln sinds Alexander de Grote (356-323). Een barok bewogen interpretatie van de klassieke periode, Duurt tot de AugusteOsche (63 v. Chr.- 14 na Chr.) periode.

(a)  

5.

Vooruitspringend hoekdeel waarvan het dak meestal bijzonder wordt geaccentueerd en afsteekt tegen de overige overkapping.

(a)  

6.

Plastische versiering van steen of hout, waarbij de figuren voor meer dan de helft uit de achtergrond komen.

(a)  

7.

Het boven de arcades of galerijen liggende deel van het middenschip van een basiliek.

(a)  

8.

Bodemverwarming in huizen en thermen. Onder de vloer, geplaatst op korte stutten, zijn holle ruimten waardoor hete damp wordt geleid.

(a)  

9.

Vloeren en wanden, die ingelegd zijn met marmeren of gekleurde stenen plaatjes.

(a)  

10.

Slanke, zich naar boven verjongende zuil, die op een basis staat en door het lonisch kapiteel wordt besloten. Hun schachten worden gewoonlijk door 24 cannelures geleed, waartussen smalle verhogingen blijven, en die boven rond worden afgesloten.

(a)