wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

lj 1 herh Woorden H4

Total questions: 26

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het tegenovergestelde van verstandig?

a)

slim

b)

onverstandig

c)

bestandig

2.

Wat is het tegenovergestelde van beklimmen?

a)

omhoog gaan

b)

afklimmen

c)

afdalen

3.

Wat is het tegenovergestelde van maximaal?

a)

minimaal

b)

overmaal

c)

bovenmaal

4.

Wat is het tegenovergestelde van verschillend?

a)

eerlijk

b)

hetzelfde

c)

bekend

5.

Wat is het tegenovergestelde van beleefd?

a)

opkomen

b)

brutaal

c)

netjes

6.

Wat is het tegenovergestelde van aanvallen?

a)

voetballen

b)

verdedigen

c)

vijand

7.

Wat is het tegenovergestelde van schadelijk?

a)

onschadelijk

b)

giftig

c)

beschadelijk

8.

Wat is een synoniem?

a)

Woorden die ongeveer dezelfde betekenis hebben

b)

Woorden die je ongeveer hetzelfde schrijft

c)

Woorden die je hetzelfde uitspreekt

9.

Het synoniem voor afwezig.....

a)

Intimideren

b)

Absent

c)

Present

d)

Ongetwijfeld

10.

Het synoniem voor exact....

a)

Leveren

b)

Precies

c)

Gemakkelijk

d)

Slecht

11.

Wat is een synoniem van lopen

a)

rennen

b)

wandelen

c)

springen

12.

Wat is een synoniem van afwas

a)

vaat

b)

opruimen

c)

afruimen

13.

Kat + bak

a)

Kattenbak

b)

Kattebak

c)

Kattesbak

d)

Katten-bak

14.

Lang + afstand + loper

a)

langeafstands loper

b)

lange afstandsloper

c)

langeafstandsloper

d)

langeafstandloper

15.

Goed + morgen

a)

Goede-morgen

b)

Goedenmorgen

c)

Goedmorgen

d)

Goedemorgen

16.

Politie + auto

a)

Politieauto

b)

Politie-auto

c)

Politiesauto

d)

Politienauto

17.

Wat is het tegenovergestelde van verticaal?

a)

liniaal

b)

frontaal

c)

horizontaal

d)

diagonaal

18.

Door het woordje 'zoals' kun je zien dat er een voorbeeld komt.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Door het woord 'bijvoorbeeld' weet je dat er een voorbeeld komt.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Na een : (dubbele punt) kan er een voorbeeld komen.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Door naar voorbeelden te zoeken, kun je achter de betekenis van een moeilijk woord komen.

a)

waar

b)

niet waar

22.

"Balsporten zoals voetbal, korfbal en tennis kun je zowel binnen als buiten doen." Hoeveel voorbeelden staan in deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

23.

"Balsporten zoals voetbal, korfbal en tennis kun je zowel binnen als buiten doen." Waar zijn dit voorbeelden van?

a)

zoals

b)

buiten

c)

binnen

d)

balsporten

24.

"Als ik naar school fiets, kom ik altijd deze snelle auto's tegen: een Porsche, een Ferrari en een Lamborghini." Hoe kun je in deze zin zien dat er een voorbeeld komt?

a)

de hoofdletters

b)

het vraagteken

c)

de dubbele punt

d)

de komma's

25.

"Als ik naar school fiets, kom ik altijd deze snelle auto's tegen: een Porsche, een Ferrari en een Lamborghini." Hoeveel voorbeelden worden hier genoemd?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

26.

"Als ik naar school fiets, kom ik altijd deze snelle auto's tegen: een Porsche, een Ferrari en een Lamborghini." Waar zijn dit voorbeelden van?

a)

snelle auto's

b)

ik

c)

fiets

d)

school