wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

lj 1 herh Spelling H4

Total questions: 43

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij liep naar de auto.

a)

Zwak werkwoord

b)

Sterk werkwoord

2.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij zwom in de sloot.

a)

Zwak werkwoord

b)

Sterk werkwoord

3.

Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij bakt gebakjes.

a)

Sterk werkwoord

b)

Zwak werkwoord

4.

Geef de juiste vervoeging in de verleden tijd ik-vorm van het werkwoord bijten.

a)

Ik bijtte

b)

Ik bijte

c)

Ik beet

5.

Geef aan welke vervoeging in de verleden tijd juist is.

a)

Wij speeldden

b)

Wij speelden

6.

Geef aan welke vervoeging in de verleden tijd juist is.

a)

Zij raaden

b)

Zij raden

c)

Zij raadden

7.
Ik ... mijn familie elke week.
a)
bezoek
b)
bezoekt
8.
Rachida ... de fiets.
a)
repareert
b)
repareer
9.
Ik ... de vraag langzaam.
a)
herhaal
b)
herhaalt
10.
Jij... lekkere koekjes.
a)
bakt
b)
bak
11.

Verleden tijd


Gisteren (plukken) ............. ik de appels.

a)

plokte

b)

plukde

c)

pluktte

d)

plukte

12.

Verleden tijd


Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.

a)

durvde

b)

durfte

c)

durfden

d)

durfde

13.

(tennissen)

Waar ...... het duo dit weekend?

a)

tenniste

b)

teniste

c)

tennisde

d)

Tenniste

14.

(lachen)

Wij ...... ons een hoedje om de mop van de vierjarige.

a)

lachden

b)

lachtten

c)

lagten

d)

lachten

15.

Wat is het werkwoord ?

Ik eet graag appels.

a)

Ik

b)

eet

c)

graag

d)

appels

16.

Wat is het werkwoord?

Peter speelt met de bal.

a)

Peter

b)

speelt

c)

met de bal

17.

Wat is het werkwoord ?

In het pretpark zit ik het liefst in de draaimolen.

a)

In het pretpark

b)

zit

c)

ik

d)

het liefst

e)

in de draaimolen

18.

Wat is het werkwoord?

De brandweerman blust de branden.

a)

De brandweerman

b)

blust

c)

de

d)

branden

19.

Wat is het werkwoord ?

De poezen verstoppen zich in de tas.

a)

De poezen

b)

verstoppen

c)

zich

d)

in de tas

20.

Wat is het werkwoord ?

Gisteren ging ik met een vriendin naar een feest.

a)

Gisteren

b)

ging

c)

ik

d)

met een vriendin

e)

naar een feest

21.

(veroordelen)

De klasgenootjes ....... het vandalisme in de buurt.

a)

veroordeeld

b)

veroordelen

c)

veroordeelden

d)

veroordeeltte

22.

(missen)

Ik ........ mijn trein en kwam te laat

a)

mistte

b)

miste

c)

misde

d)

mis

23.

(ruiken)

De verwaarloosde man ..... je al van verre

a)

ruiktte

b)

ruiktten

c)

ruikte

d)

rook

24.

(tennissen)

Waar ...... het duo dit weekend?

a)

tenniste

b)

teniste

c)

tennisde

d)

Tenniste

25.

(beëindigen)

We ....... de feestdag met een dans

a)

beeindigden

b)

beëindigen

c)

beëindigden

d)

beëndigden

26.

Wat is het meervoud van: de jongen

a)

De jongen's

b)

De jongens

c)

De jongenen

d)

De jongennen

27.

Wat is het meervoud van: het meisje

a)

Het meisjes

b)

De meisjes

c)

De meisje's

d)

Het meisje's

28.

Wat is het meervoud van: de computer

a)

de computeren

b)

de computers

c)

de computer's

d)

de computerren

29.

Wat is het meervoud van: het kopje

a)

Het kopjes

b)

De kopjes

c)

Het kopje's

d)

De kopjeen

30.

Wat is het meervoud van: de taxi

a)

de taxien

b)

de taxis

c)

de taxi's

d)

de taxies

31.

Wat is het meervoud van: paraplu?

a)

paraplus

b)

parapluen

c)

paraplu's

d)

parapluën

32.

Wat is het meervoud van: salto?

a)

saltos

b)

salto's

c)

saltoen

d)

saltoën

33.

Wat is het meervoud van: hobby?

a)

hobby's

b)

hobbies

c)

hobbiën

d)

hobbys

34.

Wat is het meervoud van: baby?

a)

babys

b)

babies

c)

baby's

d)

babieën

35.

tt en vt zijn afkortingen voor

a)

totdat en voordat

b)

tegenwoordige tijd en verleden tijd

36.

Als je de tijd in een zin verandert, verander je......

a)

het onderwerp

b)

de persoonsvorm

37.

Met de tijdproef ....

a)

zet je de persoonsvorm in een andere tijd.

b)

maak je meervoud.

38.

Zin: Mijn vader luistert naar muziek.

Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

Mijn vader luistert niet naar muziek.

b)

Mijn vader luisterde naar muziek.

c)

Mijn vader luistert naar muziek.

39.

Zin: De hond gaf een poot.


Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

De kat gaf een poot.

b)

De hond gaf pootjes.

c)

De hond geeft een poot.

40.

Zin: De fietsen staan in de stalling.


Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

De fietsen stonden in de stalling.

b)

De fiets staat in de stalling.

c)

De fiets is weg.

41.

Zin: Ik vind deze vraag moeilijk.


De persoonsvorm in deze zin is:

a)

Ik

b)

vind

c)

deze vraag

d)

moeilijk

42.

Zin: Onze school wordt verbouwd.


In deze zin is de persoonsvorm:

a)

Onze school

b)

wordt

c)

verbouwd

43.

Zin: Mijn broer heeft alles opgegeten.


In deze zin is de persoonsvorm:

a)

Mijn broer

b)

heeft

c)

alles

d)

opgegeten