NEW
Font size
Worksheetslj 1 herh Spelling H4
Total questions: 43
Worksheet time: 46mins
Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij liep naar de auto.
Zwak werkwoord
Sterk werkwoord
Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij zwom in de sloot.
Zwak werkwoord
Sterk werkwoord
Geef aan of het werkwoord in de volgende zin een zwak of sterk werkwoord is. Hij bakt gebakjes.
Sterk werkwoord
Zwak werkwoord
Geef de juiste vervoeging in de verleden tijd ik-vorm van het werkwoord bijten.
Ik bijtte
Ik bijte
Ik beet
Geef aan welke vervoeging in de verleden tijd juist is.
Wij speeldden
Wij speelden
Geef aan welke vervoeging in de verleden tijd juist is.
Zij raaden
Zij raden
Zij raadden
Verleden tijd
Gisteren (plukken) ............. ik de appels.
plokte
plukde
pluktte
plukte
Verleden tijd
Het verlegen kind (durven) ... niet binnen komen.
durvde
durfte
durfden
durfde
(tennissen)
Waar ...... het duo dit weekend?
tenniste
teniste
tennisde
Tenniste
(lachen)
Wij ...... ons een hoedje om de mop van de vierjarige.
lachden
lachtten
lagten
lachten
Wat is het werkwoord ?
Ik eet graag appels.
Ik
eet
graag
appels
Wat is het werkwoord?
Peter speelt met de bal.
Peter
speelt
met de bal
Wat is het werkwoord ?
In het pretpark zit ik het liefst in de draaimolen.
In het pretpark
zit
ik
het liefst
in de draaimolen
Wat is het werkwoord?
De brandweerman blust de branden.
De brandweerman
blust
de
branden
Wat is het werkwoord ?
De poezen verstoppen zich in de tas.
De poezen
verstoppen
zich
in de tas
Wat is het werkwoord ?
Gisteren ging ik met een vriendin naar een feest.
Gisteren
ging
ik
met een vriendin
naar een feest
(veroordelen)
De klasgenootjes ....... het vandalisme in de buurt.
veroordeeld
veroordelen
veroordeelden
veroordeeltte
(missen)
Ik ........ mijn trein en kwam te laat
mistte
miste
misde
mis
(ruiken)
De verwaarloosde man ..... je al van verre
ruiktte
ruiktten
ruikte
rook
(tennissen)
Waar ...... het duo dit weekend?
tenniste
teniste
tennisde
Tenniste
(beëindigen)
We ....... de feestdag met een dans
beeindigden
beëindigen
beëindigden
beëndigden
Wat is het meervoud van: de jongen
De jongen's
De jongens
De jongenen
De jongennen
Wat is het meervoud van: het meisje
Het meisjes
De meisjes
De meisje's
Het meisje's
Wat is het meervoud van: de computer
de computeren
de computers
de computer's
de computerren
Wat is het meervoud van: het kopje
Het kopjes
De kopjes
Het kopje's
De kopjeen
Wat is het meervoud van: de taxi
de taxien
de taxis
de taxi's
de taxies
Wat is het meervoud van: paraplu?
paraplus
parapluen
paraplu's
parapluën
Wat is het meervoud van: salto?
saltos
salto's
saltoen
saltoën
Wat is het meervoud van: hobby?
hobby's
hobbies
hobbiën
hobbys
Wat is het meervoud van: baby?
babys
babies
baby's
babieën
tt en vt zijn afkortingen voor
totdat en voordat
tegenwoordige tijd en verleden tijd
Als je de tijd in een zin verandert, verander je......
het onderwerp
de persoonsvorm
Met de tijdproef ....
zet je de persoonsvorm in een andere tijd.
maak je meervoud.
Zin: Mijn vader luistert naar muziek.
Als je de tijdproef doet, krijg je:
Mijn vader luistert niet naar muziek.
Mijn vader luisterde naar muziek.
Mijn vader luistert naar muziek.
Zin: De hond gaf een poot.
Als je de tijdproef doet, krijg je:
De kat gaf een poot.
De hond gaf pootjes.
De hond geeft een poot.
Zin: De fietsen staan in de stalling.
Als je de tijdproef doet, krijg je:
De fietsen stonden in de stalling.
De fiets staat in de stalling.
De fiets is weg.
Zin: Ik vind deze vraag moeilijk.
De persoonsvorm in deze zin is:
Ik
vind
deze vraag
moeilijk
Zin: Onze school wordt verbouwd.
In deze zin is de persoonsvorm:
Onze school
wordt
verbouwd
Zin: Mijn broer heeft alles opgegeten.
In deze zin is de persoonsvorm:
Mijn broer
heeft
alles
opgegeten
