Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden 1

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Ik ... (gaan) naar de winkel.

(a)  

2.

Mevrouw Karen ... (werken) op de computer.

(a)  

3.

Jij ... (maken) goed je huiswerk!

(a)  

4.

Wij ... (schrijven) elke dag vijf Nederlandse zinnen.

(a)  

5.

Jullie ... (slapen) elke dag tot 8 uur.

(a)  

6.

Hij ... (eten) elke dag een appel.

(a)  

7.

Zij ... (lezen) 's morgens de krant.

(a)  

8.

Het boek ... (liggen) op de bank.

(a)  

9.

De mensen ... (wandelen) op de straat.

(a)  

10.

Jij ... (koken) voor je ouders.

(a)  

11.

Mevrouw Jozefien ... (zitten) op de bank.

(a)  

12.

Op zondag ... (leren) het meisje de werkwoorden.

(a)  

13.

Vandaag ... (drinken) ik tien glazen water.

(a)  

14.

... (stofzuigen) ik vandaag het huis?

(a)  

15.

... (komen) hij morgen terug naar het park?

(a)  

16.

werfen - warf -geworfen is een voorbeeld van een

a)

een sterk werkwoord

b)

een zwak werkwoord

c)

een onregelmatig werkwoord

d)

een modaal werkwoord

17.

Werkwoorden met stam op -d/-t; wat gebeurt er in de 'du, er/sie/es, ihr-vorm'?

a)

er komt een extra 'e' tussen

b)

er komt geen extra 'e' tussen

c)

de 's' valt weg

18.

Jij rijdt paard =

a)

du reitst

b)

du reitest

c)

du reitetest

d)

du reitest Pferd

19.

Jij spreekt

a)

du redest

b)

du redst

c)

du redtst

d)

du redetest

20.

Mark chat

a)

Mark chatt

b)

Mark chattet

c)

Mark chattest

d)

Mark chattete

21.

Men feliciteerde

a)

Man gratuliert

b)

Mann gratuliert

c)

Man gratulierte

d)

Man gratuliertet

22.

jullie werken

a)

ihr arbeit

b)

ihr arbeiten

c)

ihr arbeiteten

d)

ihr arbeitet

23.

Ilse reist

a)

Ilse reisst

b)

Ilse reiset

c)

Ilse reist

d)

Ilse reistet

24.

Zij hebben gesport

a)

sie haben gesport

b)

sie haben Sport gemacht

c)

sie haben gesportet

d)

sie hatten gesportet

25.

U heeft gespeld

a)

sie haben gespellt

b)

sie haben gebuchstabiert

c)

sie haben buchstabiert

d)

sie haben Buch gestabiert

26.

jij wandelde

a)

du spaziertest

b)

du spazierst

c)

du spaziers

d)

du spazierte

27.

wij hebben gezet

a)

wir haben gezeltet

b)

wir hatten gestellt

c)

wir haben gestellt

d)

wir haben gestellet

28.

zij heeft geopend

a)

sie hat geöffnet

b)

sie hat öffnet

c)

sie hatte geöffnet

d)

sie hat geöffnt

29.

U heeft nodig gehad

a)

Sie haben braucht

b)

Sie haben gebrauchtet

c)

Sie haben gebraucht

d)

Sie haben brauchtet

30.

zij ontkende

a)

sie leugnet

b)

sie leugnete

c)

sie leugnen

d)

sie leugnt

31.

hij volleybalde

a)

er spielte Volleyball

b)

er volleyballte

c)

er spielt Volleyball

d)

er volleyballt

32.

Jullie moeten je verheugen!

a)

Freue dich!

b)

Freuen Sie sich!

c)

Freut euch!

33.

reken!

a)

rechne!

b)

rechnet!

c)

rechnen Sie!

34.

Zij hebben (het) gepast

a)

sie haben (es) anprobiert

b)

sie haben (es) angeprobiert

c)

sie haben (es) geanprobiert

d)

sie haben (es) anprobiertet

35.

geknutseld

a)

gebastelt

b)

bastelet

c)

gebastelet

36.

Vertaal: kiezen

a)

wählen

b)

kiesen

c)

zeigen

d)

zelten

37.

Waarom zijn de volgende werkwoorden bijzonder: besuchen, erzählen, übernachten, gewinnen, verdienen, trainieren?

a)

ze krijgen in het voltooid deelwoord geen 'ge-'

b)

ze krijgen in het voltooid deelwoord geen '-t'

c)

het zijn sterke werkwoorden

d)

het zijn onregelmatige werkwoorden

38.

Wat is er bijzonder aan de volgende werkwoorden: volleyballen, hockeyen, computeren, sporten en voetballen?

a)

het zijn allemaal vrijetijdsbestedingen

b)

ze bestaan in het Duits uit twee delen, de combinatie zelfstandig naamwoord en werkwoord

c)

ze hebben een bepaald voorzetsel, bijvoorbeeld +3 of +4

d)

ze hebben een voltooid deelwoord zonder 'ge-' aan het begin

39.

heb jij beweerd?

a)

hast du bewehrt?

b)

hast du behaupt?

c)

behauptest du?

d)

hast du behauptet?

40.

Wat is er bijzonder aan de volgende werkwoorden: zeichnen, rechnen, öffnen, regnen, atmen, leugnen, begegnen?

a)

hun voltooid deelwoord begint niet met 'ge-'

b)

ze krijgen een extra 'e' bij de vormen du, er/sie/es, ihr en voltooid deelwoord.

c)

ze krijgen bij 'du' alleen de uitgang -t (in plaats van -st)

d)

ze worden vervoegd als 'spielen'