Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling havo2

Total questions: 32

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Vul de pvtt in


De jongen (vinden) een T-bonesteak erg lekker.

a)

vind

b)

vindt

c)

vond

d)

vint

2.

Vul de pvtt in:

Misschien (wassen) hij de auto's voor een goed doel.

a)

wasde

b)

waste

c)

wast

d)

wasdt

3.

Vul de pv tt in:


Lara (kunnen) erg mooi tekenen.

a)

kan

b)

kon

c)

ken

d)

kent

4.

Vul de pvtt in:

Ik ontleden de zinnen uit het boek.

a)

ontleet

b)

ontleede

c)

ontleed

d)

ontleedt

5.

Vul de pvtt in


Barbara en Anne (schudden) die antwoorden zo uit hun mouw.

a)

schudden

b)

schuddde

c)

schut

d)

schud

6.

Vul de pvtt in


Jij lachen irritant.

a)

lachte

b)

lachd

c)

lacht

d)

lachen

7.

Vul de pvtt in


Jan besteden te weinig tijd aan zijn huiswerk.

a)

besteedt

b)

besteet

c)

besteed

d)

bestede

8.

Vul de pvtt in


Worden jij nu al weer boos?

a)

wort

b)

wordt

c)

word

9.

Vul de pvtt in:

Als je dat niet veranderen , vinden ik het maar niets.

a)

verandert-vindt

b)

veranderd-vind

c)

veranderdt- vint

d)

verandert-vind

10.

Vul de pvtt in:

Wat vinden je leraar van je werk?

a)

vint

b)

vindt

c)

vind

d)

vond

11.

Vul in pvvt

Het team (landen) gisteren pas laat op Schiphol.

a)

lande

b)

landden

c)

landde

d)

landen

12.

Vul de pvvt in:

Hij (bekleden) de stoel opnieuw.

a)

bekleedde

b)

bekleedte

c)

beklad

d)

beklede

13.

Vul de pvvt in:

Wij (vermoeden) dat de verzekering het (vergoeden).

a)

vermoedden-vergoedden

b)

vermoeden-vergoeden

c)

vermoedden-vergoedde

14.

Vul de pvvt in:

Mijn vriend (posten) de aanvraag nog net op tijd.

a)

posde

b)

posste

c)

postte

d)

posdte

15.

Vul de pvvt in

Hoe lang (branden) die kaarsen?

a)

brandden

b)

brandde

c)

brand

d)

branden

16.

Vul de pvvt in:


Wij (melden) ons al vroeg.

a)

melden

b)

melde

c)

meldden

17.

Vul de pvvt in:

Het (tochten) in dat bijgebouw verschrikkelijk.

a)

tochtten

b)

tochtte

c)

tochte

d)

tochde

18.

Vul de pvvt in:

De kranten (berichten) de volgende dag niets over het voorval.

a)

berichtten

b)

berichten

c)

berichden

d)

berichdten

19.

Vul de pvvt in:

De jongens (vergroten) de voorsprong.

a)

vergroten

b)

vergroodte

c)

vergrootten

d)

vergrote

20.

Vul de pvvt in:

Mijn moeder (hechten) veel waarde aan die lepels.

a)

hechtte

b)

hechte

c)

hechde

d)

hechdte

21.

Welke bewering is juist?

a)

A Als twee zelfstandige zinnen sterk met elkaar samenhangen, moet je een puntkomma

gebruiken.

b)

B Een dubbele punt staat tussen twee persoonsvormen.

c)

C Na een zelfstandige, mededelende zin komt een punt.

22.

Welke bewering is waar?

a)

A Alleen de infinitief kun je van tijd veranderen.

b)

B In een samengestelde zin kunnen meerdere voltooid deelwoorden staan.

c)

C Om de persoonsvorm te vinden in een samengestelde zin moet je de zin vragend maken.

23.

Vul in:

Hij […] (abonneren) zich vorig jaar op dat tijdschrift en hij […] (komen) er nu niet meer vanaf.

a)

abonneerdde, kwam

b)

abonneert, kwam

c)

abonneerde, komt

24.

Welke bewering is waar?

a)

A Alleen het voltooid deelwoord kun je van tijd veranderen.

b)

B In een samengestelde zin kunnen meerdere infinitieven staan.

c)

C Om de persoonsvorm te vinden in een samengestelde zin moet je de zin vragen

maken.

25.

Vul in:

[…] (kunnen) Stephanie vanavond mee naar het klassenfeest of […] (zijn) zij nog steeds niet […] (opknappen)?

a)

Kon, is, geknapt

b)

Kun, was, opgeknapd

c)

Kan, is, opgeknapt

26.

Goed of fout?

De persoonsvormen in een samengestelde zin staan altijd in dezelfde tijd.

a)

Goed

b)

Fout

27.

Goed of fout?

Bij een enkelvoudige zin kun je de pv vinden door de zin van tijd te veranderen of door er een vraagzin van te maken. Dit geldt ook voor een samengestelde zin.

a)

Goed

b)

Fout

28.

Goed of fout?

Gebeurd en beland zijn beide altijd voltooid deelwoord in de zin.

a)

Goed

b)

Fout

29.

Noteer de voltooide deelwoorden:


De Limburgse boekhouder heeft bekend dat hij jarenlang zijn functie heeft misbruikt door te frauderen.

a)

heeft-bekend

b)

bekend- frauderen

c)

bekend-misbruikt

d)

heeft frauderen

30.

Ik was echt (verbazen) , toen je dat zei.

a)

verbaast

b)

verbaasd

31.

(verlenen) je moeder toen wel voorrang aan de fietser?

a)

Verleent

b)

Verleende

32.

(verzenden) je de kaarten vandaag nog?

a)

verzend

b)

zent je

c)

verzent