wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling thema 5; regeling

Total questions: 18

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn onderdelen van het centrale zenuwstelsel?

a)

Grote hersenen

b)

Kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

e)

Zenuwen

2.

Waar/niet waar. Je oogzenuw hoort bij je centrale zenuwstelsel.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Zintuigen zetten .... 1...... om in .....2 ......

a)

1= impuls 2= zenuwen

b)

1= zenuwen 2= prikkel

c)

1= prikkel 2= impuls

d)

1= prikkel 2= hormonen

4.

Welke zenuwcel is verbonden met een spier of een klier?

(a)  

5.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 1?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

6.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 2?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

7.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 3?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

8.

In je schouder lopen zenuwen die naar je arm gaan. Als je schouder uit de kom gaat drukt de schouder kop hard op de gemengdezenuw (zie afbeelding). Wat voor gevolgen kan dit hebben voor het bewegen van je arm?

a)

Je kan je arm nog maar een klein beetje bewegen.

b)

Je kan je arm normaal bewegen.

c)

Je kan je arm helemaal niet meer bewegen.

9.

Wanneer ben je ervan bewust wat je ruikt?

a)

Als je reukzintuig de prikkel omzet in een impuls.

b)

Als de grote hersenen het impuls ontvangen (gestuurd door het zintuig) en die informatie hebben verwerkt.

c)

Als de grote hersenen een nieuw impuls sturen naar de spieren waardoor je reageert.

10.

Het hormoon insuline wordt gemaakt door de eilandjes van Langerhans.

1) Waar liggen de eilandjes van Langerhans?

2) Wat doet insuline met het bloedsuikerspiegel?

a)

1) in de lever

2) bloedsuikerspiegel gaat omlaag

b)

1) in de alvleesklier

2) bloedsuikerspiegel gaat omhoog

c)

1) in de alvleesklier

2) bloedsuikerspiegel gaat omlaag

d)

1) in de lever

2) bloedsuikerspiegel gaat omhoog

11.

De suikers (glucose) die bij de afbraak van zetmeel ontstaan, worden vanuit de dunne darm door het bloed naar de lever gevoerd. In de lever worden deze suikers (glucose) omgezet in glycogeen en daarna opgeslagen.


Waar in het lichaam wordt nog meer veel glycogeen opgeslagen?

a)

in de botten

b)

in de spieren

c)

onder de huid

12.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

13.

Een vleermuis gebruikt echolocatie voor het opsporen van vliegende prooien zoals insecten. Daarbij maakt de vleermuis geluiden die weerkaatst worden door de omgeving. Door het opvangen van de weerkaatste geluiden bepaalt het dier waar de insecten zich bevinden. De vleermuis vliegt er dan op af om ze op te eten.

De vleermuis gebruikt spieren om de geluiden te maken. Deze spieren laten de stembanden bewegen en worden snelle spieren genoemd omdat ze wel 160 keer per seconde kunnen samentrekken.


De gehoorzintuigcellen vangen de teruggekaatste geluiden op en zetten ze om in impulsen die naar de hersenen worden geleid.


Waar in de hersenen worden deze impulsen verwerkt tot een bewuste waarneming van geluid?

a)

in de grote hersenen

b)

in de kleine hersenen

c)

in de hersenstam

14.

Onder normale omstandigheden wordt de pupil groot als er weinig licht is. Deze verandering van de pupil is onbewust.


Hoe wordt zo’n snelle, onbewuste reactie genoemd?

(a)  

15.

Taaislijmziekte is een ziekte waarbij slijm dat in het lichaam wordt gemaakt, abnormaal dik en taai is. Dit veroorzaakt problemen in verschillende orgaanstelsels.

Bij veel mensen met taaislijmziekte werkt de alvleesklier niet goed. Dit kan een vorm van suikerziekte tot gevolg hebben. De alvleesklier maakt dan niet voldoende hormonen voor het regelen van het glucosegehalte van het bloed.


Hoe heten deze hormonen?

a)

adrenaline en glucagon

b)

adrenaline en groeihormoon

c)

glucagon en insuline

d)

insuline en groeihormoon

16.

In de wand van de rechter hartboezem bevindt zich de zogenaamde sinusknoop. Deze sinusknoop geeft impulsen af die door uitlopers van zenuwcellen over de hartspier geleid worden. Door deze impulsen trekt het hart samen: eerst de boezems, dan de kamers. Het aantal malen dat het hart per minuut samentrekt wordt het hartritme genoemd.


Worden de impulsen uit de sinusknoop over het hart geleid door uitlopers van bewegingszenuwcellen, van gevoelszenuwcellen of van schakelcellen?

a)

door uitlopers van bewegingszenuwcellen

b)

door uitlopers van gevoelszenuwcellen

c)

door uitlopers van schakelcellen

17.

Het hartritme wordt ook beïnvloed door de hoeveelheid adrenaline in het bloed.

Als je bijvoorbeeld schrikt, wordt er meer adrenaline aan het bloed afgegeven. Hierdoor gaat het hart sneller kloppen.


Door welke klier of klieren wordt adrenaline gemaakt?

a)

door de bijnieren

b)

door de hypofyse

c)

door de schildklier

d)

door de alvleesklier

18.

De werking van de schildklier wordt geregeld door een andere hormoonklier. In de afbeelding zijn enkele hormoonklieren in het lichaam van een vrouw met een letter aangegeven.


Welke letter geeft de hormoonklier aan die de werking van de schildklier regelt?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S