wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Transport & Uitscheiding

Total questions: 19

Worksheet time: 54mins

Name
Class
Date
1.

Welke onderdelen horen bij welke nummers 2,3,4 en 6. Kies de juiste optie (1 antwoord)

a)

2: lis van henle, 3: kapsel van bowman, 4: glomerulus, 6: urine verzamelbuisje

b)

2: kapsel van bowman, 3: lis van henle, 4: urine verzamelbuisje, 6: glomerulus

c)

2: kapsel van bowman, 3: glomerulus, 4: lis van henle, 6: urine verzamelbuisje

d)

2: glomerulus, 3: lis van henle, 4: urine verzamelbuisje, 6: kapsel van bowman

2.

De cellen van de nierkapsels (kapsels van Bowman) leveren geen energie voor de ultrafiltratie, waarbij voorurine wordt gevormd.


Welke kracht veroorzaakt dan de vorming van voorurine?

(a)  

3.

Als Freek ’s avonds veel bier drinkt, merkt hij dat hij veel moet plassen en ’s morgens een droge mond heeft. Dat komt doordat alcohol de urineproductie verhoogt.

Welke verklaring hiervoor is juist?

a)

Alcohol remt de hypofyse waardoor er minder ADH wordt afgegeven

b)

Alcohol remt de ultrafiltratie in de kapsels van Bowman

c)

Alcohol stimuleert de hypofyse waardoor er meer ADH wordt afgegeven

d)

Alcohol stimuleert de waterresorptie in de nierbuisjes

4.

De blaastest meet de hoeveelheid alcohol die vanuit de longen in de uitgeademde lucht terechtkomt. Een aantal bloedvaten in alfabetische volgorde is: aorta, halsslagader, longader, longslagader en onderste holle ader.


Een molecuul alcohol wordt vanuit de maag in het bloed opgenomen.

Door welke bloedvaten is dit molecuul alcohol in elk geval gekomen als het door een blaastest wordt gemeten?


(staar je niet blind op de afbeelding, probeer de volgorde in je hoofd te visualiseren!)

a)

aorta

b)

onderste holle ader

c)

halsslagader

d)

longader

e)

longslagader

5.

Bij langdurig overmatig alcoholgebruik neemt de lever in omvang toe. De leverfunctie neemt echter steeds verder af. Een van de symptomen bij een falende lever is een gelige huidskleur.

Welke van de volgende falende leverfuncties is een verklaring voor het ontstaan van deze gele kleur?

a)

de lever kan minder niet-essentiële aminozuren aanmaken

b)

de lever kan minder glycogeen opslaan

c)

de lever kan minder alcohol afbreken

d)

de lever kan minder afvalstoffen via de gal verwijderen

6.

Van sommige aminozuren kan een grotere hoeveelheid in het voedsel aanwezig zijn dan wordt gebruikt voor de opbouw. Overtollige aminozuren worden onder andere omgezet in andere aminozuren.


In welk orgaan gebeurt dat?

a)

alvleesklier

b)

dunne darm

c)

lever

d)

nier

7.

Van twee stoffen, ureum en aminozuren, wordt de concentratie bepaald in de aders S en T (zie afbeelding) na een eiwitrijke maaltijd.


In welk van deze bloedvaten zijn de ureum- en de aminozuurconcentratie het hoogst na een eiwitrijke maaltijd?

a)

Ureumconcentratie is het hoogst in T, de aminozuurconcentratie is het hoogst in T

b)

Ureumconcentratie is het hoogst in S, de aminozuurconcentratie is het hoogst in S

c)

Ureumconcentratie is het hoogst in T, de aminozuurconcentratie is het hoogst in S

d)

Ureumconcentratie is het hoogst in S, de aminozuurconcentratie is het hoogst in T

8.

Het bloed wordt gezuiverd in 2 delen (nummers) van deze afbeelding. In welke 2 delen (nummers) vindt die zuivering plaats?

a)

1 en 5

b)

5 en 4

c)

1 en 9

d)

1 en 4

e)

9 en 5

9.

Bekijk de afbeelding van het hart.

Welk bloedvat wordt aangegeven met nummer 5?

a)

de aorta

b)

de holle ader

c)

de longslagader

d)

de longader

10.

We kennen 2 verschillende 'typen' kleppen in het hart.

In de afbeelding hiernaast geeft nummer 10 een (a)   aan.

11.

In de afbeelding zie je een schematische weergave van een nefron (niereenheid). Met welk nummer is het proces van terugresorptie aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.

Welke kleppen staan in de afbeelding dicht?

a)

de halvemaanvormige kleppen in de linkerharthelft

b)

de halvemaanvormige kleppen in de rechterharthelft

c)

de hartkleppen in de linkerharthelft

d)

de hartkleppen in de rechterharthelft

13.

Bo zegt dat het bloed in het blauwgekleurde deel met nummer 1 uit de longader komt.

a)

Bo heeft gelijk

b)

Bo heeft ongelijk

14.

Het hier getekende bloedvat is een

a)

kransader

b)

kranslagader

c)

ader

d)

slagader

15.

Bij verschillende patiënten wordt bloed afgenomen uit een ader in de linkerarm. Dit bloed wordt gebruikt voor onderzoek. Bij patiënt P blijkt het afgenomen bloed na 15 minuten nog niet gestold te zijn. Afwijkingen die kunnen voorkomen, zijn:

1 in het lichaam worden weinig bloedplaatjes gevormd,

2 in het lichaam wordt weinig fibrinogeen gevormd.


Welke van deze afwijkingen kan of welke kunnen er de oorzaak van zijn dat het bloed van patiënt P niet stolt?

a)

alleen afwijking 1

b)

alleen afwijking 2

c)

afwijking 1 én afwijking 2

16.

In de afbeelding is een schema van het bloedvatenstelsel van een mannetjescavia weergegeven. Van inwendige organen die in tweevoud aanwezig zijn, is er steeds één getekend. Enkele organen zijn met letters aangegeven, enkele bloedvaten met cijfers. Ligging en werking van de organen van de cavia lijken veel op die van de mens.


Op welke van de plaatsen 1, 2, 3 of 4 komt de hoogste bloeddruk voor?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.

In de afbeelding is een microscopisch beeld van bloed van de mens weergegeven. Eén van de typen bloedlichaampjes is aangegeven met P.

Welke functie hebben de bloedlichaampjes van type P?

a)

Bloedlichaampjes van type P vervoeren zuurstof

b)

Bloedlichaampjes van type P vormen antistoffen.

c)

Bloedlichaampjes van type P vormen fibrinogeen.

d)

Bloedlichaampjes van type P zijn betrokken bij de bloedstolling.

18.

Bij de vaste bestanddelen van het bloed horen de rode bloedcellen, de witte bloedcellen en de bloedplaatjes.

Hoe worden die onderdelen ook wel genoemd (in die volgorde!)

a)

erytrocyten, leukocyten en trombocyten

b)

erytrocyten, granulocyten en fagocyten

c)

fagocyten, leukocyten en trombocyten

d)

erytrocyten, leukocyten en lymfocyten

19.

Welke onderstaande optie is juist?

a)

Het hormoon EPO wordt gemaakt in de lever en zet het beenmerg aan tot de aanmaak van rode bloedcellen

b)

Het hormoon EPO wordt gemaakt in de nieren en zet het beenmerg aan tot de aanmaak van rode bloedcellen

c)

Het hormoon EPO wordt gemaakt in de lever en zet het beenmerg aan tot de aanmaak van witte bloedcellen

d)

Het hormoon EPO wordt gemaakt in de nieren en zet het beenmerg aan tot de aanmaak van witte bloedcellen