wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Monohybride kruisingen + bloedgroepen

Total questions: 12

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.

Bij cavia’s is de aanleg voor zwart haar dominant over die voor wit haar. Twee cavia’s (heterozygoot voor deze aanleg), worden met elkaar gekruist. Hoe groot is het percentage nakomelingen in de F1 dat wit haar zal hebben?

(a)  

2.

Hieronder is een stamboom weergegeven. De eigenschappen C en D erven niet X-chromosomaal over.

Welke eigenschap is dominant

a)

C

b)

D

3.

Hieronder is een stamboom weergegeven. De eigenschappen C en D erven niet X-chromosomaal over.

Welk genotype heeft persoon 4?

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

4.

Hieronder is een stamboom weergegeven. De eigenschappen C en D erven niet X-chromosomaal over.

Welk genotype heeft persoon 5?

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

5.

Hieronder is een stamboom weergegeven. De eigenschappen C en D erven niet X-chromosomaal over.

Welk(e) genotype(s) kan persoon 7 hebben?

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

6.

Bij mensen is het allel voor rechtshandigheid dominant over het allel voor linkshandigheid. Het gen voor rechts/linkshandigheid erft niet X-chromosomaal over. Hoe groot is in de onderstaande stambomen de kans dat de persoon, aangeven met een vraagteken in de stamboom hierboven, een linkshandige dochter is?

(a)  

7.

Bij een bepaalde bloemsoort is de bloemkleur intermediair (rose). Als een rode bloem wordt gekruist met een witte bloem ontstaan rose nakomelingen. Deze nakomelingen (F1) worden onderling gekruist. Hoeveel van de 32 nakomelingen verwacht je dat er rose zullen zijn in de F2?

(a)  

8.

De kinderen van een man met bloedgroep A en een vrouw met bloedgroep AB kunnen de volgende bloedgroepen hebben:

a)

Alleen AB

b)

Alleen A of B

c)

Alleen A of B of AB

d)

Deze kunnen zowel A, B, O of AB hebben

9.

Als een man met bloedgroep A en een vrouw met bloedgroep B een kind hebben met bloedgroep O, hoe groot is dan de kans dat een tweede kind eveneens bloedgroep O zal hebben?

(a)  

10.

Twee grootmoeders behoren elk tot bloedgroep O en de beide grootvaders behoren elk tot bloedgroep AB. Hoe groot is de kans dat hun kleinkind bloedgroep B zal hebben?

a)

1/16

b)

5/32

c)

3/16

d)

1/4

e)

5/16

11.

85% van de Nederlandse bevolking heeft in het bloed de Rhesusfactor, is Rhesus-positief (Rh+ ). Het allel voor de Rhesusfactor is dominant over het allel “geen Rhesusfactor”. De ABO-bloedgroep en de Rhesusfactor erven onafhankelijk over.

Een man met bloedgroep A+ , wiens moeder O- had, heeft een vrouw met Bloedgroep B- . Van haar vader is alleen bekend dat hij bloedgroep O had. Hoe groot is de kans dat hun tweede kind A+ heeft?

(a)  

12.
Een recessieve afwijking bij de mens is de erfelijke doofstomheid. De eigenschap is niet X-chromosomaal.
Hoe groot is de kans op het ontbreken van deze afwijking bij de kinderen uit een huwelijk van twee mensen die heterozygoot zijn voor deze eigenschap?
a)
3/4
b)
1/3
c)
1/4
d)
1/2