Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Past Simple

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: I ...(go)... home early yesterday.

a)

go

b)

gone

c)

went

2.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: His parents ...(buy)... a new house last year.

a)

buy

b)

bought

c)

buyed

3.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: We ...(try)... to help him.

a)

tryed

b)

trying

c)

tried

4.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: Annie ...(make)... the test last Friday.

a)

maked

b)

made

c)

make

d)

making

5.

Zet het werkwoord in de verleden tijd: He ...(borrow)... a book from his neighbour.

a)

borrowed

b)

borrowing

c)

borrowt

6.
past tense  work
a)
working
b)
worked
c)
works
7.
past tense  study
a)
studies
b)
studyd
c)
studied
d)
studying
8.
Which one is correct?
a)
He were in London.
b)
He was in London.
9.
past tense  rain
a)
rains
b)
raining
c)
rained
10.
past tense  play
a)
played
b)
playing
c)
plays
11.
past tense  help
a)
helping
b)
helps
c)

helped

12.

Vul in de Past Simple. Susan ... (to call) her boyfriend.

a)

call

b)

calld

c)

calls

d)

called

13.

Wanneer gebruik je de Past Simple?

a)

Iets gebeurt in het verleden en eindigt in de toekomst

b)

Het is een feit

c)

Het is een gewoonte

d)

Iets begint en eindigt in het verleden

14.

Vul in de Past Simple. She ... (to teach) for 10 years before retiring.

a)

teached

b)

taught

c)

taughted

d)

teaches

15.

Gebruik de verleden tijd van het werkwoord 'to be'.


I _________ happy.

a)

was

b)

were

c)

are

d)

is

16.

Als je een regelmatig werkwoord in de verleden tijd wil zetten, gebruik je meestal....

a)

werkwoord + s

b)

werkwoord + ed

c)

alleen het werkwoord

17.

Als je een ONregelmatig werkwoord in de verleden tijd wil zetten, gebruik je.....

a)

werkwoord + s

b)

werkwoord + ed

c)

Elk werkwoord heeft een aparte vorm. Gebruik de 2e vorm uit de rijtjes.

18.

Zet het werkwoord in de verleden tijd:

Last week we .... (to learn) Irish folk dancing.

a)

learned

b)

learnet

19.

Zet het werkwoord in de verleden tijd:

Last week we .... (to learn) Irish folk dancing.

a)

learned

b)

learnet

20.

Zet het werkwoord in de verleden tijd:

Yesterday I .... (to walk) to school.

a)

walk

b)

walks

c)

walked

21.

Zet het werkwoord in de verleden tijd:

He ... (to see) some beautiful rainbows yesterday.

a)

seed

b)

saw

22.

Verander het werkwoord naar de past simple:

In the evenings, we (a)   (to go) to pubs.

23.

Verander het werkwoord naar de past simple:

In the mornings we ... (to walk) in the streets of London.

(a)