WorksheetsPast Simple
Total questions: 23
Worksheet time: 12mins
Zet het werkwoord in de verleden tijd: I ...(go)... home early yesterday.
go
gone
went
Zet het werkwoord in de verleden tijd: His parents ...(buy)... a new house last year.
buy
bought
buyed
Zet het werkwoord in de verleden tijd: We ...(try)... to help him.
tryed
trying
tried
Zet het werkwoord in de verleden tijd: Annie ...(make)... the test last Friday.
maked
made
make
making
Zet het werkwoord in de verleden tijd: He ...(borrow)... a book from his neighbour.
borrowed
borrowing
borrowt
helped
Vul in de Past Simple. Susan ... (to call) her boyfriend.
call
calld
calls
called
Wanneer gebruik je de Past Simple?
Iets gebeurt in het verleden en eindigt in de toekomst
Het is een feit
Het is een gewoonte
Iets begint en eindigt in het verleden
Vul in de Past Simple. She ... (to teach) for 10 years before retiring.
teached
taught
taughted
teaches
Gebruik de verleden tijd van het werkwoord 'to be'.
I _________ happy.
was
were
are
is
Als je een regelmatig werkwoord in de verleden tijd wil zetten, gebruik je meestal....
werkwoord + s
werkwoord + ed
alleen het werkwoord
Als je een ONregelmatig werkwoord in de verleden tijd wil zetten, gebruik je.....
werkwoord + s
werkwoord + ed
Elk werkwoord heeft een aparte vorm. Gebruik de 2e vorm uit de rijtjes.
Zet het werkwoord in de verleden tijd:
Last week we .... (to learn) Irish folk dancing.
learned
learnet
Zet het werkwoord in de verleden tijd:
Last week we .... (to learn) Irish folk dancing.
learned
learnet
Zet het werkwoord in de verleden tijd:
Yesterday I .... (to walk) to school.
walk
walks
walked
Zet het werkwoord in de verleden tijd:
He ... (to see) some beautiful rainbows yesterday.
seed
saw
Verander het werkwoord naar de past simple:
In the evenings, we (a) (to go) to pubs.
Verander het werkwoord naar de past simple:
In the mornings we ... (to walk) in the streets of London.
(a)
