wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz Nederlands 1A

Total questions: 70

Worksheet time: 57mins

Name
Class
Date
1.

Welk soort zin is dit?

De strijd was losgebarsten op 28 juli 1914.

a)

WWG

b)

NWG

2.

Welk soort zin is dit?

Anderen herinneren zich die dag niet zo precies.

a)

WWG

b)

NWG

3.

Welk soort zin is dit?

Alfie zou het nooit vergeten.

a)

WWG

b)

NWG

4.

Welk soort zin is dit?

Hij was die dag vijf geworden.

a)

WWG

b)

NWG

5.

Welk soort zin is dit?

Zijn ouders gaven een feestje om het te vieren.

a)

WWG

b)

NWG

6.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel van de zin?

Er kwam maar een handjevol mensen opdraven.

a)

voltooid deelwoord

b)

wederkerend voornaamwoord

c)

adpv

d)

infinitief

7.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Oma Summerfield zat de hele tijd haar zakdoek nat te huilen.

a)

te + adpv

b)

te + infinitief

c)

te + voltooid deelwoord

d)

te + wederkerend voornaamwoord

8.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Alfies moeder zei dat als ze zich niet kon beheersen, ze beter weg kon gaan.

a)

voltooid deelwoord

b)

wederkerend voornaamwoord

c)

infinitief

d)

adpv

9.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Alfie had de meeste van zijn vriendjes uit Damley Road uitgenodigd.

a)

voltooid deelwoord

b)

infinitief

c)

adpv

d)

wederkerend voornaamwoord

10.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Die ochtend klopten een heleboel moeders aan bij de familie Summerfield.

a)

voltooid deelwoord

b)

infinitief

c)

adpv

d)

wederkerend voornaamwoord

11.

Welk woord past bij de X?

In de X van dit medicijn waarschuwt men voor bloedklonters.

(a)  

12.

Welk woord past bij de X?

Tijdens de sessie 'Leren leren' kreeg ik een handige X van de leerkracht.

(a)  

13.

Welk woord past bij de X?

In de lessen techniek moeten we zeer precies, of X, onze bevindingen noteren.

(a)  

14.

Welke uitdrukking past hier best?

Mijn mama zorgt zeer goed voor mij, ze is echt ... .

a)

pienter

b)

hartverwarmend

c)

één uit de duizend

d)

inventief

15.

Welke uitdrukking past hier?

De man kreeg geen boete, maar de politie zou hem wel ... .

a)

kampen met

b)

in de gaten houden

c)

uit de hoed toveren

d)

uit de hand lopen

16.

Hier mag iedereen komen. Het is een ... .

a)

openbare plaats

b)

gebod

c)

verbod

d)

bijsluiter

17.

Hoe noemen we dit fenomeen?

(a)  

18.

Welke taal gebruik je best in de volgende situatie?

Je spreekt iemand voor de eerste keer aan uit een andere provincie.

a)

formele taal

b)

informele taal

19.

Welke taal gebruik je best in de volgende situatie?

Je gaat op bezoek bij jouw grootouders.

a)

formele taal

b)

informele taal

20.

Welke taal gebruik je best in de volgende situatie?

Je wil iets vragen aan de opvoeder op school.

a)

formele taal

b)

informele taal

21.

Welke taal gebruik je best in de volgende situatie?

Je voert een telefoongesprek met jouw beste vriend.

a)

formele taal

b)

informele taal

22.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Marie-Evelyne zette haar voet op de trede die uit de vloer verscheen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

23.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Ze liet de rugtas over haar armen glijden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

24.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Ze hield haar ogen over Daphnes hoofd gericht.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

25.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Met een wipje overbrugde ze de laatste trede die onder haar voeten wegzonk.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

26.

Hoe noemen we het schuingedrukte deel?

Zonder commentaar volgde Daphne haar.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

27.

Schrijf je jou of jouw bij de X?

Ik wil het X graag vertellen.

(a)  

28.

Schrijf je jou of jouw bij de X?

Mag ik X telefoonnummer hebben?

(a)  

29.

Schrijf je jou of jouw bij de X?

Dan kan ik eens met X afspreken.

(a)  

30.

Schrijf je jou of jouw bij de X?

Of geef je dit enkel aan X vrienden?

(a)  

31.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

Het vliegtuig landen om 15.45 uur op Schiphol.

(a)  

32.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

De man in rij 4 hebben de hele reis in zijn stoel gezeten.

(a)  

33.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

Er staan veel op het spel.

(a)  

34.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

Hij doen langzaam zijn ogen open.

(a)  

35.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

Een oude dame glimlachen in zijn richting.

(a)  

36.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

Ze staan naast hem.

(a)  

37.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

De oudere dame turen naar het zwarte gat waar de koffers en tassen uit zouden komen rollen.

(a)  

38.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

Haar ogen stralen toen ze naar hem knikte.

(a)  

39.

Het gekleurde woord staat in de infinitief. Plaats het in de OVT.

De oudere dame turen naar het zwate gat waar de koffers en tassen uit zouden komen rollen.

(a)  

40.

Welk synoniem past bij het gekleurde woord?

De metro stopte bruusk.

a)

rustig

b)

plots

c)

in het station

d)

tussen twee stations

41.

Welk synoniem past bij het gekleurde woord?

Deuren klapten open en Marie-Evelyne wachtte tot de laatste passagier uitgestapt was.

a)

gingen

b)

sloten

c)

maakten lawaai

d)

waren zichtbaar

42.

Welk synoniem past bij het gekleurde woord?

In een oogwenk had ze gezien dat er nergens ziplaatsen vrij waren.

a)

door te kijken

b)

plots

c)

zeer snel

d)

het was zichtbaar

43.

Welk synoniem past bij het gekleurde woord?

Marie-Evelyne liet haar ogen langs de oranje zitjes van hard plastic dwalen.

a)

passagiers

b)

ramen

c)

staanplaatsen

d)

stoeltjes

44.

Welk synoniem past bij het gekleurde woord?

'Je moet deze taak toch ook maken?' drong Daphne aan.

a)

opdracht

b)

toets

c)

straf

d)

spreekbeurt

45.

Welk antoniem past bij het gekleurde woord?

Hij grijnsde wat moeilijk en keek van haar weg.

a)

klein

b)

snel

c)

makkelijk

d)

het lukte niet

46.

Welk antoniem past bij het gekleurde woord?

Vroeger was Nederland ook zijn thuis, maar hij had het zeven jaar geleden de rug toegekeerd.

a)

tien jaar geleden

b)

overmorgen

c)

in Spanje

d)

in het verleden

47.

Welk antoniem past bij het gekleurde woord?

Zijn terugkeer was een vorm van gezichtsverlies.

a)

zijn migratie

b)

zijn verlies

c)

zijn aankomst

d)

zijn vertrek

48.

Welk antoniem past bij het gekleurde woord?

De eerste lading koffers en tassen kwam op de bagageband voorbij.

a)

de laatste

b)

de tweede

c)

de derde

d)

de vierde

49.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Alfies moeder zei dat ze helemaal niets zou afzeggen.

a)

Alfies moeder

b)

dat

c)

niets

d)

dat ze helemaal niets zou afzeggen

50.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Alfie wou al het lekkers zelf opeten.

a)

opeten

b)

al het lekkers

c)

zelf

d)

Alfie

51.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Georgie gaf Alfies moeder een kus op de wang.

a)

gaf

b)

Alfies moeder

c)

een kus op de wang

d)

Georgie

52.

Welk zinsdeel is het lijdend voorwerp?

Hij pakte Alfie stevig vast.

a)

Alfie

b)

pakte

c)

stevig

d)

hij

53.

Welk zinsdeel is het meewerkend voorwerp?

Georgie gaf Alfies moeder een kus op de wang.

a)

gaf

b)

Alfies moeder

c)

een kus op de wang

d)

Georgie

54.

Welk zinsdeel is het meewerkend voorwerp?

Daarna gaf hij Alfie een cadeautje voor zijn verjaardag.

a)

gaf

b)

een cadeautje

c)

Alfie

d)

voor zijn verjaardag

55.

Welk zinsdeel is het meewerkend voorwerp?

Heb je het paard een klopje gegeven, pap?

a)

je

b)

pap

c)

een klopje

d)

het paard

56.

Vul aan: Vooraleer je op een site wil gaan, moet je je ... .

(a)  

57.

Het coronavirus kennen we ondertussen allemaal. Het hoeft geen ... meer te krijgen.

(a)  

58.

Vul aan: We verkopen paaseitjes ... onze jeugdbeweging.

(a)  

59.

Welk spreekwoord is dit?

(a)  

60.

Welk woord past bij de X?

De journalist gaf wat meer uitleg bij het nieuws, hij wou het X.

a)

protesteren

b)

nuanceren

c)

uitzonderen

d)

bekritiseren

61.

Welk woord past bij de X?

Normaal mochten we het pretpark niet betreden buiten de openingsuren. We kregen X de toestemming.

a)

aantrekkelijk

b)

gerangschikt

c)

uitzonderen

d)

uitzonderlijk

62.

Welke uitdrukking past bij deze afbeelding?

(a)  

63.

Welke vergelijking past bij deze afbeelding?

(a)  

64.

Welke vergelijking past bij deze afbeelding?

(a)  

65.

Is dit een zin met letterlijk of figuurlijk taalgebruik?

De gasten kregen een kil ontvangst. Ze waren precies niet welkom.

a)

letterlijk taalgebruik

b)

figuurlijk taalgebruik

66.

Is dit een zin met letterlijk of figuurlijk taalgebruik?

Na deze slechte nacht, voelde ik me echt gebroken.

a)

letterlijk taalgebruik

b)

figuurlijk taalgebruik

67.

Is dit een zin met letterlijk of figuurlijk taalgebruik?

De hond had het lekkere eten geroken.

a)

letterlijk taalgebruik

b)

figuurlijk taalgebruik

68.

Welke vergelijking past bij deze afbeelding?

(a)  

69.

Welk woord past bij de X?

De filmster wou de X van het boek absoluut vermijden.

a)

overeenkomst

b)

publicatie

c)

aantrekking

d)

uitzondering

70.

Welk woord past bij de X?

Na alle kritiek zal de auteur het boek moeten X.

a)

uitzonderen

b)

aantrekken

c)

aanpassen

d)

introduceren